Het Jaar Van De Mier?

Een dezer dagen kwam ik een plaatje tegen van een spel voor op Android werkende telefoons en tablets met de weinig aan duidelijkheid te wensen overlatende titel Mierenpletter. In de regel heb ik het niet zo op zulke agressieve spelletjes, maar ik betrapte mij er nu op dat mijn belangstelling meteen klaar-wakker was. Al maanden lang heb ik het idee dat 2013 Het Jaar Van De Mier moet zijn. In onze keuken komen we werkelijk overal mieren tegen, in alle soorten en maten. Ze kruipen over de grond en over de tegelwanden, en er trekken ook hele colonnes over de bovenkant van de koelkast en over alle kastdeurtjes.
We hebben een mierenlekkernij gekocht die je op de route van de mieren moet uitstrooien en die de diertjes, als het (voor ons) goed is, meenemen naar hun nesten om zichzelf daar uit te roeien. Sommige mieren deden op de route het poeder aan en bleven levenloos achter, maar soortgenoten liepen er vervolgens in een boog omheen en gingen door met hun irritante strooptochten. Bovendien is het met zulke bestrijdingsmiddelen natuurlijk oppassen geblazen in de omgeving van levensmiddelen.
We pakten alle etenswaren zo goed mogelijk in, in afsluitbare potten en plastic zakken, maar kennelijk bleef er daarbuiten genoeg eetbaars achter, want de mieren en miertjes bleven overal terugkeren. Ze zaten aan de buitenkant van een pot honing en eenmaal hadden twee piepkleine miertjes kans gezien de gesloten pot binnen te komen. Ze brachten het er natuurlijk niet levend vanaf, want ze verdronken in de stroperige honing. De pot staat nu in een bakje met een laagje water, om nieuwe indringers de pas af te snijden.
En bleef het nu nog maar bij de keuken, dan konden we onszelf verwijten dat we etenswaren kennelijk niet goed genoeg hadden opgeborgen. Maar de kleinere miertjes doken al geruime tijd geleden ook op bij mijn laptop. Ze lopen soms over het toetsenbord en als ik er niet snel genoeg bij ben om ze weg te blazen, verdwijnen ze onder de toetsen.
Ook loopt er af en toe één over het beeldscherm en die probeer ik dan, in de stijl van het aan het begin genoemde spel, te pletten en weg te vegen. Meestal lukt me dat wel. Maar één keer leek zo’n klein miertje telkens onder mijn vinger vandaan te glippen. Pas na ettelijke pogingen bleef hij stil zitten – en toen bleek dat hij niet over het beeldscherm had gewandeld maar er binnenin, onder de bovenste glasplaat dus. Zodat nu voor de rest van het laptopleven een stoffelijk mierenoverschotje mijn werkvlak ontsiert. Het is weliswaar een kleine smet, maar die dringt zich toch dagelijks irritant aan me op.
Eerder maakte ik hier al eens melding van onze strijd tegen de mieren die het op het zoete water voor de beija-flores oftewel kolibries hebben voorzien. Door te zorgen dat ze alleen bij de bebedouros, de zoetwaterreservoirs, kunnen komen door water over te steken, hebben we dat probleem kunnen oplossen.
We hebben inmiddels de indruk dat de mieren zich het lekkerst voelen bij hogere temperaturen. Als een dag eens wat koeler uitviel, leken de mieren in hun nest te blijven. Inmiddels is de herfst hier ingetreden en we hopen nu maar dat de temperatuur snel een mieronvriendelijk niveau bereikt, zodat we een tijdje van de irritante colonnes bevrijd raken.
We hoorden van vrienden uit het noord-oosten van Brazilië dat het daar van hetzelfde laken een pak is. Gedeelde smart blijkt allesbehalve halve smart; de wetenschap dat het geen lokaal, maar een nationaal probleem is, maakt het maar een heel klein beetje draagbaarder.
Op de foto’s: één van de grootste, geportretteerd op de tegels in de keuken, en het mierenlijkje onder het glas van mijn beeldscherm.

Queijo oftewel kaas

Minas Gerais, de Braziliaanse deelstaat waar ik woon, is bekend om zijn kaas. In heel Brazilië is de Queijo de Minas bekend of zelfs beroemd. In de supermarkten kun je constateren dat de productie enorm moet zijn, gezien de grootte van de kaasschappen en de enorme variatie in merken en typen die je er aantreft. Veel van de Minaskazen hebben als soortnaam Padrão. Daarnaast is ook Parmezão, inderdaad: Parmezaanse kaas, van Braziliaanse makelij heel populair.
De smaakverschillen tussen de talloze Minaskazen zijn niet zo heel groot. De ene is wat pittiger dan de andere, de ene is beter snijdbaar dan de andere, de ene is wat droger dan de andere, maar het zijn vrijwel allemaal variaties op hetzelfde thema.
Een enkele keer tref je eens een kaas aan waar op het etiket Tipo Gouda staat of Tipo Edam, maar behalve de naam lijken die kazen weinig gemeen te hebben met de Nederlandse Goudse of Edammer kazen.
Geitenkaas uit Nederland
Voor echt lekkere kaas moet je op zoek naar uit Nederland geïmporteerde kazen. In de grote steden zijn die meer en meer te koop bij de grotere kruideniersketens, zoals de Pão de Açucar in Rio de Janeiro en São Paulo.
Bert Ernste plaatste er recent mooie foto’s van op zijn site. Wij krijgen af en toe de kans Nederlandse kaas in te slaan in de Mercado Central in Belo Horizonte, waar nu verschillende winkeltjes kaas verkopen met namen als Vincent en Vermeer. Maar daar komen we maar af en toe, te weinig om altijd Nederlandse kaas op tafel te hebben. Dat is jammer, want de laatste keer troffen we er zelfs Nederlandse geitenkaas aan, echt een grote delicatesse. Helaas zijn de prijzen ook niet mis; de geitenkaas kostte ongeveer 105 reais per kilo (koers van eind december: € 39,00). En eigen import is er niet bij, want het is verboden zelf kaas mee te nemen. Eenmaal moest ik meegebrachte kaas bij de douane inleveren. De kaas zelf werd in mijn bijzijn in stukken gesneden en in een afvalbak gegooid (eet ’m lekker zelf op, dacht ik nog) en mijn naam kwam in de computer te staan. Ik las al van een andere Nederlander die het nog eens probeerde en prompt om de oren werd geslagen met de opmerking dat hij al eerder was gewaarschuwd.
Mijn favoriete Gruyère
Gelukkig is er een alternatief om de perioden zonder Nederlandse kaas te overbruggen. In een nieuwe supermarkt én in de Mercado Central in Belo Horizonte is in Minas Gerais geproduceerde gruyère (spreek uit: groeièèr) te koop en de smaak daarvan komt dicht in de buurt van de gruyère uit Europa. Dat is dus mijn favoriete Braziliaanse kaas geworden.
De queijo de Minas komt overigens uitstekend tot zijn recht op de desserttafel; een lievelingstoetje van veel Brazilianen is ‘Romeu e Julieta’, een plak Minaskaas met een plak mierzoete goiabada, een stevige jam, gemaakt van een vrucht uit tropisch Brazilië. Inderdaad een delicatesse.

Als de spanning eraf is

Een jaar of twee werkte ik bij de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Het was in de tijd dat computers in hoog tempo kantoren bevolkten. Ik was al zo aan een computer gewend dat ik niet goed meer zonder kon. Daarom was de tweede PC op de afdeling Voorlichting voor mij. En het duurde niet lang totdat ook al mijn collega’s naar hun eigen monitor staarden.
Ineens viel de stroom uit, en niet alleen op onze afdeling, maar minstens op de hele verdieping van het Bestuursgebouw. Er kwam iemand aangesneld om het euvel te verhelpen. Wat bleek? De stroom viel uit op het moment dat iemand een printer inschakelde. Een technicus legde me uit dat de stroomvoorziening in het gebouw nog niet was berekend op al die computers met hun ook van elektriciteit afhankelijke aanhang. En hij vertelde erbij dat de temperatuur in het gebouw duidelijk omhoog was gegaan doordat al die apparatuur warmte produceerde die niet vanzelf in het niets oploste.
Sedert die tijd – het was in de periode 1987-1989 – is onze afhankelijkheid van de elektriciteitsvoorziening alleen maar veel groter geworden. NRC Handelsblad geeft er een mooi en tegelijkertijd een beetje ontluisterend voorbeeld van.
Hier in Brasil gebeurt het zo regelmatig dat de stroom even of soms zelfs vele uren verstek laat gaan dat de meeste mensen er niet van opkijken. Lastig is het wel, maar je leert er hier mee leven. Een maand of anderhalf geleden viel net aan het begin van de avond de spanning helemaal weg. Toen ik uit het raam keek, leek het of heel Mariana zonder stroom zat. Dat bleek later ook inderdaad het geval. Hier en daar zag je lichten van een auto, op een enkele plek iets dat op kaarslicht leek, maar het was grotendeels pikkedonker. En anders dan we gewend zijn duurde het een uur of vier tot het licht weer even aanging, vervolgens opnieuw wegviel en na korte tijd min of meer definitief terugkwam.
De dag daarop bezocht ik de grootste elektrawinkel van Mariana, waar ik bij een vorig bezoek noodverlichting meende te hebben gezien. En inderdaad: er waren led-lampen in de aanbieding voor maar 20 reais per stuk. Ik kocht er meteen maar twee, één voor in de voorkamer, één voor achterin het huis. Er zit een accu in en je laat de lamp continu aan een stopcontact liggen. Dat kost weinig stroom, en als het licht eens uitvalt, schakelt de lamp zichzelf subiet in. Je kunt kiezen uit twee standen; in de laagste stand geeft hij toch nog behoorlijk veel licht en hij schijnt het uren te kunnen volhouden.
Na het installeren dacht ik: nu zul je zien dat de stroom niet meer uitvalt, zodat we niet kunnen meemaken of het werkt. Maar er zit een testknop op en je kunt natuurlijk zelf de steker even uit de contactdoos trekken. Allemaal niet nodig, want dezelfde dag viel ’s avonds heel even de spanning weg, zodat ik tot mijn genoegen kon vaststellen dat wij het in een volgend geval wel redden tot de zon weer opkomt.
En ik moet stiekem toegeven dat het soms wel eens even lekker is als er niets valt te internetten of op beeldscherm te lezen. Met die noodverlichting komt een gewoon papieren boek nog vrij goed tot zijn recht.

Het regent, het zegent …

Na een lange droge periode is het eindelijk weer eens gaan regenen. Dat is een zegen, want het was allemaal veel te droog geworden en vanuit mijn huis was met regelmaat te zien dat in de heuvels aan de randen van de stad of er net buiten brand was uitgebroken in het gortdroge groen. We hopen dan altijd dat er geen huizen in de buurt staan en dat dieren een veilig heenkomen kunnen vinden. Het voorjaar is hier net aangebroken, maar eerlijk gezegd leek het er al een tijdje op dat het zomer was. Ik geniet in de regel van de warmte, ook als Daniele het eigenlijk al te warm vindt. Maar vorige week kreeg ik tijdens een poging tot een soneca of middagslaapje in de hangmat een beetje ademnood van de hoge temperatuur.
Met de regen wordt het vaak iets minder warm, maar om een uur of negen in de ochtend zie ik toch al vaak op de buitenthermometer (die nooit in de zon hangt) een temperatuur van 24 graden of nog iets meer.
We hopen dat de echte regentijd nog even op zich laat wachten, want we herinneren ons de rampzalige beelden van vorig jaar en het jaar daarvoor in de journaals. Gedeeltelijk ingestorte hellingen, onder modder bedolven huizen – laat dat allemaal maar niet terugkeren. Dat is ook beter voor de vele vogels die druk aan het broeden of aan het uitvliegen zijn. Behalve de kolibries en de kleine tortelduiven waarover ik al eerder schreef waren er ruim een week geleden ineens twee jongen van het echtpaar sanhaçu de coqueiro dat hier in de buurt woont en tot de vaste gasten van onze voedertafel behoort. De mooiste foto plaatste ik op de Braziliaanse vogelsite Wikiaves. Hierbij een vergelijkbaar plaatje van één van de jongen, op een lantaarn vlakbij de voedertafel wachtend tot één van de ouders zijn hongerige snavel kwam vullen.
Onze ‘tuin’ is inmiddels een drukbezochte ontmoetingsplaats voor een groot aantal vogels van allerlei pluimage geworden. Het blijft een feest om dat allemaal te kunnen bekijken.
P.S. Ik schrijf nog maar gewoon “het is gaan regenen”, maar in de nieuwsbrief die de Wereldomroep me stuurt las ik vandaag dat je tegenwoordig kennelijk moet zeggen “er kunnen buien tot ontwikkeling komen”. Tja, ik raak geleidelijk aan achterop als het om eigentijdse woordkeus gaat.

Piepkleine duiven

Voor het eerst vielen ze me op toen ik met iemand op bezoek ging bij een familie in één van de verre buitenwijken van Rio de Janeiro, een jaar of tien geleden. We stapten uit de auto in een soort carport en plotseling zag ik twee kleine duifjes overhangende struiken in vluchten. Ik was stomverbaasd: duiven met het formaat van een gemiddelde leeuwerik, 15–18cm van snavel- tot staartpunt, zo klein had ik ze nog nooit gezien. Inmiddels weet ik dat ze in vrijwel heel Brazilië tot de meest voorkomende vogels behoren. Ze gedragen zich als echte tortelduiven: man en vrouw zitten graag dicht tegen elkaar aan, ze geven elkaar bijna onophoudelijk kopjes en pikken elkaars verenkleed schoon. In het vorige huis waar ik in Mariana woonde, zagen we dagelijks een groep van soms wel twintig van die rolinhas roxas, zoals ze heten. De buren daar fokten kippen en eenden en strooiden kwistig allerlei korrels uit op de aarden vloer van de quintal, de binnenplaats. De rolinhas deden zich er graag te goed aan en zaten vaak op de omheining te wachten tot er nieuwe korrels kwamen.

Het vrouwtje van de rolinha roxa (er zijn verschillende soorten rolinhas) is beigekleurig en heeft schuine, donkere strepen over haar vleugels. Ze oogt uitgesproken elegant en zou in Parijs of Florence geen vreemd figuur slaan. Het mannetje heeft een kastanjekleurig lijf en een grijs kopje. Hij doet me denken aan een butler; met een bolhoedje op zou hij in Londen thuis kunnen zijn. Het paar staat op de vierde foto, links hieronder. Het mannetje broedt trouwens keurig mee, zoals is te zien op de tweede foto rechts.

In het groen bij mijn huidige huis kregen we ook regelmatig bezoek van een paartje en soms van nog een ander koppeltje. Ik zette een keer een plastic bakje met canjiquinha, kleine maiskorreltjes, voor ze op het terras. Maar ze raakten ze niet aan, kwamen er zelfs niet naar kijken. Na geruime tijd las ik dat ze hun eten alleen bij elkaar scharrelen als het van de grond is op te pikken. Daarom strooide ik de canjiquinha vervolgens op de aarde rondom de pé de coco, de cocosboom. En toen was het meteen raak! Niet alleen de rolinhas roxas deden zich eraan te goed, ook pardais, mussen, pikten letterlijk hun graantje mee en na enige tijd dook een paartje canários da terra verdadeiro op, kanaries waarvan het mannetje een opvallend oranje petje op heeft (zie de foto hierboven).

Als we aan tafel gaan kijkt Daniele uit op de cocosboom. Enige tijd geleden meldde ze me dat de rolinhas aan het nestelen waren. We hadden ze al eerder in de cocosboom zien scharrelen met nestmateriaal, maar dat had niets opgeleverd. Nu zat het vrouwtje echt in een nest in het ruwe weefsel dat als een voering de stam van de cocosboom omgeeft. (Tweede foto links.) Ik las dat het broeden 11 tot 13 dagen duurt en precies na die tijd ontdekte Daniele met haar uitstekende ogen dat er een oog van een filhote, een jong te zien was. Het zouden er twee horen te zijn, maar we zagen er maar één. Volgens het boekje vliegen ze na twee weken uit en ook dat bleek precies te kloppen. Toen ze het nest verlieten op een dag dat de ouders op afstand bleven, bleken het er toch twee te zijn. Eén wist zichzelf al aardig vliegend te redden, de andere moesten we oppakken en op de muur langs de straat zetten. De volgende ochtend bleken ze springlevend in ons groen te zitten en de dag daarop zag ik dat ze de nacht met zijn tweetjes hadden doorgebracht in een holte langs de cocosstam.

Gisteren fladderden ze af en toe van de ene tak naar de andere en op een gegeven moment waren ze neergestreken op de comedouro, de voedertafel. Niet om er te eten, maar om vanaf een rustige en veilige plek het leven om hen heen gade te slaan. Ik maakte er gebruik van om een staatsieportret van ze te maken (zie boven dit bericht). Gisterenavond in de schemering trokken ze zich weer in de cocosboom terug.

Grappig is dat de ouders zich nog maar af en toe om de jongen lijken te bekommeren. De filhotes trekken nadrukkelijk samen op. Volgens de Braziliaanse vogelsite Wikiaves is het niet ongewoon dat rolinhas zo’n twee weken na het uitvliegen van hun jongen aan een nieuw nest beginnen, als de voedselsituatie er maar naar is. Daar is voor ons dus een mooie taak weggelegd.

En alsof dat allemaal nog niet mooi en boeiend genoeg is, zit nu ook onze beija-flor of kolibrie opnieuw op het nest onder het dak aan de achterkant, waaruit pas eind mei twee jongen zijn uitgevlogen. Het lijkt hier wel voorjaar in plaats van winter.

Uitgevlogen!

Vanochtend waren ze duidelijk te zien: twee kopjes van jonge beija-flores, kolibries, over de rand van het nestje. Die vliegen misschien dit weekend nog uit en anders volgende week, dacht ik. Gemiddeld verlaten ze na 22-24 dagen het nest en volgens onze berekeningen zou het dit weekend zover zijn.
Aan het eind van de morgen moest ik even weg. Wat zie ik in mijn op vogels afgestelde ooghoek? Eén van de twee jongen, filhotes op zijn Braziliaans, is aan het einde van zijn vermoedelijk eerste vliegpoging neergestreken op het terras vóór mijn huis. Ik kon hem benaderen, hij keek me aan en bleef zitten. Ook van mijn fototoestel leek hij niet bang. Naderhand heeft Daniele hem even in de hand gehad en toen ik terugkwam, kon ik hem weer dicht benaderen. Maar toen ik probeerde of hij op mijn vinger wilde gaan zitten, fladderde hij op en zocht een zitplaats op een tak van een boompje. Zijn vader of moeder waarschuwt het jong nu regelmatig met een scherp tikgeluid. De middag kan hij op de tak doorbrengen, maar ik denk dat hij vanavond terug naar het nest moet, want ‘s nachts is het onaangenaam koud.

Braziliaanse seizoenen

Toen ik vanochtend onder de douche uit kwam, bleek de spiegel niet beslagen te zijn, zodat ik meteen mijn haren kon kammen. Onder de douche had ik ook al gemerkt dat het water koeler was. De winter is begonnen, dat is duidelijk. Drie dagen geleden leek het nog zomer, met een warme middagtemperatuur. Maar eergisterenavond werd het ineens fris. Medelijden is niet nodig, hoor. Ook een wintermiddag kan hier nog veel weg hebben van wat in Nederland een lekkere zomerdag wordt genoemd. Dat het winter is, is vooral ‘s avonds en ‘s nachts te voelen.

Is het bij jullie te merken als het voorjaar is?, vroeg iemand me laatst per e-mail. Nauwelijks, kan ik daarop antwoorden. De echte natuurkenners zullen vast kunnen vertellen dat bepaalde planten in bloei komen als volgens de kalender de lente begint, maar er zijn hier het hele jaar door telkens weer nieuwe bloemen en wat maakt dat het er hier altijd warmer, aangekleder en gezelliger uitziet, is dat de bomen nooit bladloos worden, behalve dan de ipê, die opvalt doordat hij geen blad heeft als hij vol hangt met bloemen. Alle andere bomen lijken als het ware steeds een beetje te ruien; tussen groen blad zie je hier en daar een exemplaar dat er de brui aan geeft. En sommige bomen met grote bladeren zijn er het hele jaar druk mee plaats te maken voor nieuw blad.

Een Braziliaan zei ooit tegen mij dat men hier veel minder gevoel voor de seizoenen heeft en dat er eigenlijk maar twee seizoenen zijn: de overwegend droge tijd en de natte maanden. Je kunt dat goed zien in het moerasgebied de Pantanal, dat in de natte periode nauwelijks is te bezoeken omdat grote delen dan onder water staan. Alleen in de drogere periode zakt het waterpeil zodanig dat wegen er begaanbaar zijn.
Vanwege die twee seizoenen heb ik nu dus het gevoel dat het winter is, hoewel eind maart de herfst begon. Dat neemt niet weg dat de beija-flor-tesoura, de kolibrie op de foto, alweer enige tijd op het nestje zit. Er kunnen zomaar opeens weer jongen zijn. Dat gaat eigenlijk vrijwel het hele jaar door.
Het zal duidelijk zijn dat het best herkenbare teken van de overgang van de warme naar de koelere periode hier de wisseling van kleding is. Als ik vroeg de deur uit moet, doe ik een warme trui of een jack aan (waar ik soms na anderhalf uur alweer last van heb), en de lange broek is weer wat meer in trek dan de bermuda. Bovendien past bij dit seizoen ’s avonds warme chocolademelk.

Dat overigens ook hier het klimaat verandert, zien we op de TV. In het uiterste zuiden van het land, het deel dat grenst aan Uruguay en Argentinië, is de temperatuur gedaald tot vlak bij het vriespunt. Dat wordt nog niet als normaal beschouwd. Als ik nu op reis ging, koos ik de andere kant. Onze vrienden André en Siese belden vanuit Paraíba in de nordeste, het noord-oosten, en vertelden dat het daar ondanks de herfst volop zomer is.

Zomertijd, regentijd

Een week of twee geleden is de regentijd aangebroken. En het ging op dezelfde manier als toen ik dat voor het eerst meemaakte in Brasil. Dat was in Manaus, middenin het Amazonegebied. Om drie uur ‘s nachts werd ik wakker doordat er een storm door de straat raasde, direct gevolgd door enorme regenbuien, die pas ‘s middags om drie uur even pas op de plaats  maakten. Nu kwam ik met twee volle boodschappentassen terug van de supermarkt. Vlak voordat ik de hoek van mijn straat bereikte, stak er ineens een vreemde wind op. Een soort wervelwind die kartonnen dozen van de ene kant van de straat naar de andere leek te schoppen, en terug. Meteen voelde ik dikke droppen en ik kon niet snel genoeg tegen de helling op om nog droog thuis te komen. Sedertdien regent het gedurig, vele uren achtereen. En er komen dan zulke enorme hoeveelheden water naar beneden dat je je afvraagt waar het allemaal vandaan komt.
Elf maanden geleden schreef ik op dit weblog ook over de regen en over de rampzalige gevolgen ervan voor mensen die op of vlakbij hellingen wonen. Ook nu is het alweer raak; gisteren stonden de TV-journaals bol van de beelden van ondergelopen wijken in grote steden zoals Belo Horizonte.
De vorige keer dat ik er hier over schreef kon ik laten weten dat er in Mariana gelukkig geen grote overlast was. Maar gezien de manier waarop hier soms tegen en bovenop hellingen wordt gebouwd had het me niet verbaasd als er ongelukken waren gebeurd.
Nu is het ook in Mariana raak. Bij twee huizen die ik vanaf mijn terras kan zien, aan de andere kant van de stad, verschenen kort na het begin van de regentijd grote lappen plastic. En enkele dagen later stond er een foto in het plaatselijke krantje waarop was te zien dat er een aardverschuiving had plaatsgevonden waardoor de huizen aan de rand van een afgrond kwamen te staan. De bewoners moesten hun huis uit. Een van de huiseigenaren was zonder toestemming van de gemeente op een lager gelegen deel van het terrein een garage gaan bouwen, met het gevolg dat de helling kennelijk instabiel was geworden.
Gisteren kreeg mijn huisgenote Daniele een telefoontje dat onder het huis van een ‘tante’, die vlak boven de rivier woont, de keuken gedeeltelijk door het water was ondermijnd. We realiseren ons dat de regentijd nog maar net is begonnen. Veel mensen die aan de vele hellingen hier wonen zullen de komende tijd minder rustig slapen. Ik hoorde dat ook in de wijk Rosário, waar ik eerder woonde, al maatregelen worden getroffen om instortingsgevaar te verminderen.
Over een paar dagen begint hier de zomer, en dat is niet voor iedereen de prettigste periode van het jaar.
Foto: voorpagina van de krant Ponto Final. “Gezinnen verhuisd vanwege instortingsgevaar.”

Ita…, een homenagem aan wijlen mijn vriend Augusto

Toen ik de eerste keer met wijlen Augusto, op een rustige zondagochtend in 2007, meereed om een dag door te brengen bij zijn gezin in Contagem (onder de rook van Belo Horizonte), wees hij me op bijzonderheden van het landschap waar we doorheen reden en hij legde me de betekenis uit van bepaalde geografische namen. Dat laatste kreeg een staartje.
Het was me al opgevallen dat veel plaatsnamen en namen van rotsen in Brazilië en hier in de deelstaat Minas Gerais beginnen met Ita. Dat blijkt het Indiaanse woord te zijn voor steen, in het Tupi-Guarani, de Indiaanse taal die een stempel heeft gedrukt op de Braziliaanse taal.
De eerste naam waarop Augusto me attendeerde, was Itacolomi, de naam van een rotspunt tussen Mariana en Ouro Preto. Die punt bestaat uit een groot rotsblok en een kleiner dat als het ware op de schoot van het grote blok rust. De naam is dan ook een verbastering van ‘ita’ en ‘corumi’, ‘a pedra e o menino’, de steen en het kind, ook wel: het kind van de steen.
Handig, bedacht ik me, om plaatsen in het landschap aan te duiden met een steen. Een boom kan door de bliksem worden getroffen, een huis kan vervallen, een stroom kan zich verleggen, maar een steenformatie is bijna voor de eeuwigheid gefixeerd. Slim bedacht van die Indianen. Vergelijkbaar met de wellicht modernere gewoonte om plaatsen te noemen naar bruggen.
De volgende naam die Augusto voor me uit de doeken deed, was van de stad Itabirito, halverwege tussen Mariana en Belo Horizonte. Deze naam laat zien dat de plaats herkenbaar was aan een ‘pedra que risca vermelho’,  een steen met rode strepen, wat erop wees dat er in de regio overvloedig ijzererts was (en nog is) te vinden.
Ik kreeg al snel de smaak te pakken en stelde Augusto voor samen een catalogus aan te leggen van namen die met Ita… beginnen, inclusief hun betekenissen. Hij stemde er joviaal mee in, maar in de praktijk kwam het vooral op mij aan. We legden eerst een lijst aan van uiteindelijk ongeveer vijfenveertig geografische namen die tamelijk gemakkelijk te vinden waren. Die komen uit het hele immense Brazilië, van het Amazonegebied in het noorden tot de deelstaat Rio Grande do Sul in het zuiden. Er moet in dit land een veelvoud zijn te vinden van namen die met Ita… beginnen. Met alle verschillen in de talen en dialecten van de Indianen hadden ze allemaal kennelijk wel ita, steen, gemeenschappelijk.
Daarna werd het een zoektocht op internet, waar met name in de Wikipedia van veel namen de herkomst wordt uitgelegd. Uiteindelijk stelde ik een lijst samen met meer dan tweehonderd van die met ita beginnende namen. Ik haal hier de in mijn ogen meest interessante namen naar voren. Als je de herkomst van de namen kent, is het ook begrijpelijk dat sommige namen meerdere keren voorkomen in dit land. Dat is bijvoorbeeld het geval met de naam Itatiaia, wat betekent: hoge, recht oprijzende rots met veel uitsteeksels.
Voor verschillende namen wordt nagenoeg dezelfde uitleg gegeven. Itaberá, Itaberaba en Itabira blijken alle drie te betekenen ‘glinsterende of schitterende steen’. Daarentegen kom je soms voor dezelfde naam verschillende omschrijvingen tegen. Dat geldt bijvoorbeeld voor Itabaiana, een naam die voorkomt in twee noordelijke staten, Paraíbaen Sergipe. Voor de naam in de deelstaat Paraíba vond ik de uitleg dat het een combinatie is van ‘ita’ en ‘baiana’: de steen die danst. Dat zou verwijzen naar een steen in de naburige rivier Rio Paraíba, die in een draaiende beweging balanceert en daardoor de indruk maakt te dansen.
Voor Itabaiana in de deelstaat Sergipe kwam ik een heel andere uitleg tegen. Het zou gaan om een combinatie van ‘ita’, steen dus, hier in de betekenis van ‘serra’ = berg, met ‘taba’, inheems gehucht, en ‘oane’, dat iemand betekent. Zo komt men tot de uiteindelijke betekenis: ‘naquela serra tem uma aldeia, onde mora gente, naquela aldeia mora alguém’ oftwel: op die berg is een gehucht waar mensen wonen, of: in dat gehucht woont iemand.
Zoals gezegd kom je namen met Ita… in heel Brazilië tegen. In de noordelijke deelstaat Amazonas vinden we bijvoorbeeld Itacoatiara. Dat verwijst naar: ita, steen, en coatiara, beschilderd, gegraveerd of gebeeldhouwd, een gekleurde steen met opschrift bij de toegang tot de stad.
In de zuidelijke deelstaat Rio Grande do Sul komen we de naam Itátegen, enkel en alleen steen dus. Ook vond ik in die zuidelijke staat Itaara, hoge steen of stenen altaar.
Voor Itabela in de deelstaat Bahia stuitte ik op een verklaring die aan de ene kant plausibel lijkt, maar toch ook wat vreemd is: omdat er aanvankelijk ‘tabelas’, tabellen met afstanden tussen de verschillende plaatsen, werden gehanteerd (wellicht bij de toe- of uitgang van een stad of dorp) zouden verschillende plaatsnamen in Bahia beginnen met ‘ita’, zoals deze naam Itabela. Maar er wordt tussen haakjes ook verwezen naar ita = steen.
In Bahia ligt voorts een plaats met de naam Itabuna, samengesteld uit de combinatie van ita en una = zwart: de zwarte steen. In mijn eigen deelstaat Minas Gerais kennen we Itaúna, met dezelfde betekenis. En de naburige deelstaat Espírito Santo kent Itaúnas, dat te danken zou zijn aan zwarte stenen in een rivier.
Itaboraí in de deelstaat Rio de Janeiro komt uiteraard ook uit het Tupi-Guarani en betekent ‘pedra bonita escondida na água’, de mooie steen, verborgen in het water. Een soort zoekplaatje, lijkt me, om de weg aan te geven.
Interessant is ook Itanhaém, een stad aan de kust van de deelstaat São Paulo, die één van de oudste steden in Brazilië schijnt te zijn. Die naam betekent ‘pedra que canta’, de steen die zingt, of ‘pedra que chora’: de huilende steen. Misschien een steen die altijd in de wind staat of waar de golven omheen spelen.
Eerder in dit verhaal wees ik er al op dat veel plaatsnamen in dit immense land meer dan eens voorkomen. In het register van een wegenatlas komt de naam Lagoa Grande, groot meer, bijvoorbeeld zesmaal voor, in vijf verschillende deelstaten. Eénmaal staat er ‘do Maranhão’, de naam van de deelstaat bij. Plaatsen met de naam São Francisco kom ik 28 keer tegen, waarvan zes keer met als enige toevoeging de twee letters waarmee de deelstaat wordt aangeduid, bijvoorbeeld MG voor Minas Gerais. Daarmee wordt voor de hand liggende verwarring voorkomen. Ik noemde eerder Itabaiana: de stad met die naam in de deelstaat Paraíba staat dus bekend als Itabaiana PA en in Sergipe als Itabaiana SE.
 
Op de afbeelding bovenaan de Pico do Itacolomi, de steen met het kind of het kind van de steen.

Onze digitale revolutie heeft ook een nieuwe emancipatiegolf veroorzaakt, in die zin dat iedereen, ongeacht zijn kennis, ervaring, intelligentie, ieder ogenblik de hele wereld kan laten weten wat hij van alles vindt. Hofland, de Groene, 24-04-2012