Taal en teken


Nu ik bezig ben met het opknappen en inrichten van een huis, krijg ik bijna dagelijks te maken met nieuwe aspecten van de Braziliaans-Portugese taal. En met de talrijke verschillen tussen het Portugees van Portugal en dat van Brazilië. Als ik een woord niet ken, neem ik vaak mijn toevlucht tot de Portugees-Nederlandse en Nederlands-Portugese woordenboeken van Prisma, waaraan mijn goede vriendin Karolien van Eck zo’n onmisbare bijdrage heeft geleverd. Meer en meer merk ik daarbij hoeveel onverwachte verschillen er tussen het Portugese en Braziliaanse Portugees bestaan.

Ik wilde een boormachine kopen en bij voorkeur een klopboor. Op internet vond ik een groot aanbod van furadeiras, elektrische boormachines. De meeste daarvan heten furadeira de impacto en ik vermoedde dat het Portugees voor klopboor is. Maar in het Prismawoordenboek kon ik het woord furadeira helemaal niet vinden, laat staan furadeira de impacto. Een boormachine blijkt in Portugal berbequim te heten, een woord dat in mijn Míni Houaiss Braziliaans woordenboek volstrekt afwezig is. Inmiddels ben ik er wel achter dat de furadeira de impacto die ik gisteren kocht inderdaad een klopboor is. (Hoe die in het Portugese-Portugees heet, heb ik niet kunnen vinden.)

Ik moet in hoog tempo nieuwe begrippen leren en verborgen kennis boven water zien te halen. Een afzuigkap is hier in verschillende soorten te koop. Een mooie, vrijwel steeds van roestvrij staal (hier ook: inox), met een soort schoorsteenmodel, heet coifa. Ik koos een gewonere afzuigkap die hier depurador (reiniger) heet. Dat kan een circulatiemodel zijn, maar ook een exaustor, die de luchtjes en dampen van het fornuis naar buiten wegwerkt. De mijne combineert beide functies. Maar daarvoor moest ik wel een duto de exaustão zien te bemachtigen, een flexibele buis die naar buiten leidt (denk bij duto aan viaduto, viaduct!). Het zou mooi zijn als ik het allemaal voor altijd zou kunnen onthouden, maar helaas …

Ook nu loop ik op tegen het feit dat sommige woorden verraderlijk op elkaar lijken, terwijl ze helemaal niets met elkaar te maken hebben. Een plug, zo’n plastic ding waar je een schroef in kunt draaien, heet een bucha (spreek uit: boesjaa). Een Braziliaan lacht zich rot als hij merkt dat ik goed moet nadenken om niet bruxa (spreek uit: broesjaa) te zeggen, wat heks betekent.
De boor die ik nodig heb om een gaatje voor de bucha te maken heet broca, en dat is maar weer één letter verwijderd van boca, mond. (Eigenlijk niet zo gek, bedenk ik me nu, want dat boorgat heeft wel iets van een mond.)

Het is grappig en lastig tegelijk, deze taal(eigen)aardigheden. Ik wen wel aan bepaalde woorden, zoals de dagen van de week. Vroeger moest ik goed nadenken: quarta-feira (letterlijk ‘vierde markt’) is woensdag en quinta-feira dus donderdag. Nu mag je me ’s nachts wakker schudden en de kans is klein dat ik me vergis.
Maar waar ik vermoedelijk tot mijn laatste snik bij moet nadenken, dat is het verschil tussen lenço, zakdoek, en lençol, laken. In het hoofd van een Braziliaan komt het gewoon niet op dat ik ze kán verwarren. Maar voor mij lijken ze te veel op elkaar om ze niet door elkaar te halen.
Toen ik voor het eerst in Mariana kwam, in 1997, had ik griep. Mijn papieren zakdoekjes waren snel op en ik strompelde naar de dichtstbijzijnde apotheek. Met een snotterende neus vroeg ik om lençois-de-papel (lençois is het meervoud van lençol), papieren lakens, en ik heb zelden zulke vragende blikken in Braziliaanse ogen gezien. Na een tijdje lukte het me duidelijk te maken wat mijn snotneus nodig had en toen antwoordde men opgelucht: lenços de papel, papieren zakdoeken. Ook nu moet ik nog steeds nadenken en beredeneren: lençol heeft meer letters dan lenço, een laken is groter dan een zakdoek …

Laatst had ik mijn vriend Jan Willem Dam op bezoek en in een gesprek met een Braziliaanse probeerden wij duidelijk te maken waarmee wij moeite hebben in het Portugees. Voor het Nederlandse werkwoord ‘zijn’ kent het Portugees twee woorden: ser en estar. Het woord ser wordt gebruikt voor bijvoorbeeld dingen die niet zo veranderlijk zijn: ela é (vorm van ser) professora, zij is lerares; ela é bonita, zij is een schoonheid; maar: ela está (vorm van estar) muito bonita hoje, zij ziet er vandaag heel mooi uit (in tegenstelling tot gisteren bijvoorbeeld). Voor Nederlanders die Portugees leren, is dat verschil soms een crime. Ik hoorde een Braziliaan van zijn jonge dochter zeggen dat ze verwend was: ela é mimada! Ik zei: dat verandert wel weer, dus ik zou zeggen: ela está mimada. Maar nee, het ging om een karaktertrek en dan moet het een vorm van ser zijn, werd me uitgelegd. Af en toe geef ik het op.
Maar wat ik me realiseerde in dat gesprek met Jan Willem en de Braziliaanse, was dat het voor Brazilianen absoluut geen enkel punt is. Zij leren als kind dat het werkwoord ser bestaat en wanneer je dat gebruikt en ze leren dat het werkwoord estar bestaat, net als nog veel meer andere werkwoorden. Voor hen zijn dat geheel verschillende begrippen; het komt niet in hen op dat het voor anderen twee vormen kunnen zijn van het ene werkwoord ‘zijn’. Hoezo hebben buitenlanders er moeite mee ser en estar niet te verwarren?
Soms zou ik wel als Braziliaan opgegroeid willen zijn.

7 gedachten over “Taal en teken”

  1. Nog een met slechts een letter verschil (gehoord in Portugal):

    Pastel de nata = roompasteitje

    (letterlijk vertaald, ik denk dat pastei in het Nederlands alleen voor de hartige variant wordt gebruikt, dit is dus een zoete).

    Pastel de nada = Pastei van niks

    Bestaat dus niet, maar kennissen van ons vroegen die per abuis in een pastelaria in Lissabon. Inderdaad leverde dat grote ogen en verbijsterde blikken op.

  2. OK, nog een keer:
    het blijft prachtig en vreselijk, een nieuwe taal … ik weet er alles van. Grappig dat ook ik lenço en lençol door elkaar haal!!! Een laatst meldde een kennis dat zij amarelo (geel) en vermelho (rood) vaak verwart, en dat doe ik ook! Ergens zitten in onze Nederlandse genen een paar universele, gapende gaten :-)))
    doeiiii veel liefs, Karolien

  3. Jaaaa, Karolien. Die verwarring tussen amarelo en vermelho ken ik ook. Dagelijks, kun je wel zeggen. Boeiend dat het dus dikwijls om dezelfde woorden gaat. Zou interessant zijn te weten hoe dat komt. Ik probeer mezelf te helpen met ezelsbruggetjes (is daar een Portugees woord voor?); bij rood snel aan vermiljoen en dan aan vermelho denken. En bij geel aan amaretto en amarelo.

  4. Vandaag kocht ik opnieuw enkele buchas, pluggen dus, met parafusos, schroeven. Later op de dag kwam ik in de supermarkt nóg een bucha tegen, met de toevoeging vegetal, inderdaad: plantaardig, nu een soort schuurspons om je rug lekker mee te masseren.

  5. hai! gefeliciteerd met je nieuwe woning ! ik ken je niet maar was aan het googelen en toen kwam ik je blog tegen. Ik ben zelf portugese en in Amsterdam geboren en heb ook in Portugal gewoond voor ruime tijd. In het portugees-portugees het het berbequim de percussão (klopboormachine). de groeten

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *