Categoriearchief: Memorie

Memorie 10 – Bevrijd, dat wel

Toen we in Zuid-Limburg in september 1944 van de Duitse bezetter werden bevrijd was ik acht jaar. Ik wist inmiddels wel dat sommige dingen in het leven ‘goed’ waren en andere ‘slecht’, maar ik was nog maar net begonnen een idee te ontwikkelen over hoe wordt bepaald wat ‘goed’ is en wat ‘slecht’. Uiteraard speelden mijn ouders daar een grote rol in. Maar vele jaren later realiseerde ik me dat je als kind kennelijk al het vermogen hebt van sommige dingen zelf te bepalen of aan te voelen dat ze wel of niet deugen.

Meteen na de bevrijding kwam een ‘grote schoonmaak’ op gang die soms meer weg had van een heksenjacht. En ik begreep al snel dat onder degenen die daarbij voorop liepen nogal wat lieden waren die tijdens de oorlog zelf niet zo dapper waren geweest.

Het was op een vrije woensdagmiddag dat ik met een schoolkameraad door de binnenstad van Sittard slenterde. We kwamen uit op de markt, waar een grote massa mensen zich had verzameld. Aller ogen waren gericht op een balkon aan de voorgevel van één van de mooie oude panden. Daar was een stoel neergezet waarop na elkaar een aantal jonge vrouwen moesten plaatsnemen. Een man met een tondeuse schoor hun hoofd helemaal kaal en de massa juichte en applaudisseerde op een manier waar mijn maag zich van omdraaide. Het bleken vrouwen te zijn die de liefde zouden hebben bedreven met Duitse bezetters. Het volksgericht meende er wel raad mee te weten. We waren bevrijd, maar niet van álle kwaad.

Memorie 9 – Slimme bezoekers

Mijn vader was hervormd predikant in het rooms-katholieke zuiden, in Limburg. Hij deed daar zijn intree, zoals dat heette, in het najaar van 1942 en bleef er tot zijn plotselinge dood in 1969. Ik denk dat het aan zijn zeer sterke sociale inslag en aan zijn oecumenische instelling was te danken dat hij in Limburg brede bekendheid kreeg. Er waren meer protestantse zielenherders in Limburg, maar lange tijd kenden niet-protestanten vooral dominee Sierk Coolsma. Ik herinner me dat er een keer een beetje een zielig hoopje mensen om hulp aanklopte bij de pastorie in Sittard. Ze waren door de politie in Heerlen helemaal naar Sittard gestuurd, “want daar woont een dominee”, wist één van de agenten. In Heerlen zelf was er ook één, maar die was kennelijk wat minder bekend.

Allerlei mensen deden een beroep op de hulp van mijn vader. Vooral in de eerste jaren na de tweede wereldoorlog waren daar nogal wat reizende en trekkende gasten bij. Ze belden aan en vertelden dat ze op reis waren omdat ze ergens werk konden krijgen. De ene keer kwamen ze uit het zuiden en wachtte er werk in Eindhoven, de andere keer kwamen ze uit het noorden en waren ze nu dicht bij een baan in Maastricht of Heerlen. Alleen, het vervelende was dat ze met hun geld net een kaartje tot Sittard hadden kunnen kopen. Of de dominee hen nu aan het geld kon helpen voor de bus of de trein naar hun eindbestemming. Op de lange duur ontwikkelde mijn vader een gefundeerde argwaan, maar vaak dacht hij toch: “stel je nu voor dat Onze Lieve Heer zelf deze man op me af heeft gestuurd” …

Sommige slimmeriken bleken een groot aantal dominees in het land van naam te kennen en er waren erbij die zeiden mijn grootvader, bekend gevangenispredikant in Groningen, te hebben ontmoet, en dat hij hen had gevraagd mijn vader zijn groeten over te brengen.

Soms, als zo’n gewiekste bedelaar zijn hielen had gelicht met geld voor het laatste traject, ging na een klein uurtje de telefoon. Dan belde de dominee uit Geleen, op een kilometer of vijf van Sittard, mijn vader op met de vraag: heb jij soms bezoek gehad van die-en-die en heb je hem geld gegeven voor de reis naar Maastricht? Dan zat een nieuwe herderlijke bijdrage voor de reiziger er even niet meer in, eerder misschien een herderlijke terechtwijzing.

Ook waren er de reizigers die vertelden dat ze al uren niets te eten hadden gehad en die daarom een bijdrage vroegen om ergens hun maag te kunnen vullen. Dan gaf mijn vader mij opdracht in de keuken een paar boterhammen te beleggen. Als ik de lunch afleverde bij zo’n hongerige reiziger, kon je aan zijn gezicht zien dat dit niet de bedoeling was geweest en met lange tanden werkte hij de boterhammen naar binnen. Maar in hun hart moesten deze gasten natuurlijk wel toegeven dat hun bede snel en letterlijk was verhoord.

Memorie 8 – Horlogemaker op ’t spoor

Hij heette Didden en in mijn herinnering had hij altijd zo’n horlogemakersloep voor zijn linkeroog. Hij had zijn zaakje in een winkelpand aan de Sittardse Steenweg. Er stond een werktafel, langs de wanden stonden en hingen kasten en al dat meubilair was gevuld met horloges, klokken en wekkers die op reparatie wachtten. Mijnheer Didden vond dat je van je leven goed gebruik moest maken, en voor hem betekende dat: niet alleen maar werken. Hij liet zich gemakkelijk afleiden, wat tot gevolg had dat een deel van de uurwerken in zijn atelier daar al meer dan een jaar de kans had gekregen wortel te schieten. Meer dan eens maakte ik mee dat er een klant kwam vragen hoe het met zijn horloge of wekker stond; dan zág je mijnheer Didden denken: om welk klokje gaat het ook alweer? Dan snuffelde hij rond op zijn tafel en in de kasten tot hij de patiënt had gevonden en hij beloofde, misschien niet voor de eerste keer, er snel iets aan te gaan doen. Om die belofte kracht bij te zetten, legde hij het uurwerk vlak bij zich op zijn werktafel.

Midden in het atelier stond nóg een grote tafel, met, tussen de uurwerken, een elektrische trein, de simpelste die ik in mijn leven heb gezien. Hij stond op rails van koperdraad dat op de koppen van in het tafelblad geslagen spijkers was gesoldeerd. De trein zelf bestond uit een locomotief en twee of drie wagons die bestonden uit een rudimentaire opbouw van koper en blik. Maar zo simpel als het was – het werkte wel. En je hoefde maar íets te vragen over hoe het werkte, of mijnheer Didden kwam van zijn stoel om je het allemaal te laten zien en uit te leggen.

Het was in mijn gymnasiumjaren, kort na de tweede wereldoorlog, toen in Duitsland het Wirtschaftswunder zich voltrok en wij daar de vruchten van mochten bewonderen. In de etalage van de grootste speelgoedzaak van de stad verscheen een Märklinspoor en op de woensdagmiddag mocht één van mijn klasgenoten dat spoor bedienen. Dat wilde zeggen: met de transformator de trein rondjes laten rijden en laten stoppen op het stationnetje. Maar het indrukwekkendste was niet dat die trein zijn rondjes reed; dat was voor mij de seinpaal die af en toe op rood ging en waarvoor de trein dan automatisch tot stilstand kwam. Hoe is dat mogelijk, vroeg ik mij af? Ik bladerde door een catalogus van Märklin en probeerde achter het geheim te komen. Hóe ik er precies achter kwam, herinner ik me niet meer, maar op een gegeven moment ging er een belletje rinkelen. Ik schetste mijn idee en kwam tot de conclusie dat het moest werken.

De volgende dag bezocht ik mijnheer Didden en ik vertelde hem, terwijl hij door zijn loep diep in een horloge keek, hoe je volgens mij een automatisch werkende seinpaal de trein kon laten stoppen. Hij keek me een beetje verrast aan, nog niet helemaal overtuigd. Toen ik hem mijn schetsje liet zien en uitlegde dat je gewoon één van de stroomvoerende rails op twee plaatsen moest doorzagen, nieuwe stroomdraadjes moest trekken en die verbinden met een schakelaartje waarmee ook de seinpaal was verbonden, kwam hij meteen van zijn stoel en greep zijn ijzerzaagje en soldeerbout. Van dik koperdraad en twee fietslampjes soldeerde hij een seinpaaltje in elkaar, van een plaatje bakeliet en koperen pennetjes fabriceerde hij het schakelaartje. Een uurtje later, toen mevrouw Didden riep dat het middageten klaar was, keken we met groot genoegen en ook een beetje trots naar het treintje dat keurig stopte als het lampje rood was en weer ging rijden als het groen licht kreeg.

Hoewel ik me kon voorstellen dat de klanten niet zo enthousiast waren over Diddens werktempo, voelde ik onbewust toch al bewondering en respect voor het feit dat hij zijn werk het werk kon laten als andere dingen in het leven zijn aandacht vroegen. Nu denk ik: hij had wel een Braziliaan kunnen zijn.

Memorie 7 – In memoriam: Schrijfmachine

Je ziet ze al bijna niet meer, zelfs hier in Brazilië. Bij mijn eerste reis door dit land, in 1995, was een computer hier nog een uitzondering en wemelde het van de schrijfmachines. Nu staan de laatste schrijfmachines in een populaire telenovela (soap) alleen nog als curiositeit in het kantoor en het huis van een journalist.

Mijn vader had twee oude schrijfmachines. De oudste, een inderdaad stokoude Remington, was na het overlijden van mijn grootvader van Groningen naar Sittard verhuisd. De nieuwere, een Continental kofferschrijfmachine, was van kort vóór de tweede wereldoorlog; mijn vader had hem nieuw gekregen, vermoedelijk als een cadeau van zijn ouders of schoonouders. Hij was heel zuinig op die Continental en ik mocht er alleen naar kijken. Maar er jeukte al schrijversbloed in mij en ik wachtte het moment af dat ik eindelijk eens de toetsen zou mogen beroeren.

Mijn vader typte veel stencils, voor liturgieën en ‘gemeentebrieven’, bulletins voor de leden van zijn kerkelijke gemeente. Ik vermoed dat het door de wat vettige substantie van die stencils was dat de letters van de schrijfmachine snel vuil werden, wat op de afdrukken van de stencils lelijk was te zien doordat letters als een o, een e en een p ‘dichtgroeiden’.

Ik stelde mijn vader een ‘dealtje’ voor: als ik op de schrijfmachine mocht leren typen, zou ik regelmatig de toetsen schoonmaken met een daarvoor gereserveerde oude tandenborstel en een speld om het stof uit de dichtgegroeide letters te peuteren. Vanaf dat moment heeft zich een zeer innige relatie ontwikkeld tussen mij en schrijfmachines. Alleen de komst van de computer heeft daar een punt achter weten te zetten, overigens nadat mijn eerste elektrische schrijfmachine met letterwiel tevens mijn eerste printer werd.

Memorie 6 – Pots and pans!

In Sittard werden we in september 1944 bevrijd door de Amerikanen. Ik herinner me dat mijn vader me op een ochtend uit mijn bed trommelde en zei: kijk eens naar buiten. Op het grote grasveld met de magnoliaboom vóór ons huis zag ik een soort kakikleurige slakkenhuizen of mummies in het gras liggen. Het bleken Amerikaanse soldaten te zijn die ’s nachts waren gearriveerd en in hun slaapzakken een uiltje knapten. Mijn vader leerde me mijn eerste Engels: Good morning, do you want a cup of coffee? Ik herhaalde het zinnetje een keer of vijf, zette een paar stappen in de richting van de mummies, keerde nog een keer terug om de vraag opnieuw te herhalen en ging vervolgens echt op de Amerikanen af. Ze lachten me toe, bodem me kauwgom aan, die ik nog nooit had gezien. En ik begreep dat ze wel koffie lustten.

In de school naast ons huis werd later een Restcentre ingericht, waar afgepeigerde en bevuilde soldaten van het front een paar dagen kwamen uitrusten. Op de bovenetage van ons huis waren kamers gevorderd voor de huisvesting van de staf. We werden al snel dikke maatjes met vooral een sergeant die de baas van de keuken bleek te zijn. We keken met grote ogen toe hoe er enorme stapels pannenkoeken werden gebakken. De militairen namen er één, doopten die in een gamel met suikerwater en aten ’m op alsof het een haring was. We zagen voor het eerst maïs, waarvan de Amerikanen grote blikken meebrachten.

Als de lunch voorbij was, kwam de sergeant naar de achterdeur van ons huis en riep: Pots and pans! Dat was het signaal waarop we met een stel pannen naar de keuken in de school renden, om met het resterende eten terug te keren. Mijn ouders belden kennissen om mee te komen delen. Zo genoot menigeen van tijd tot tijd van een Amerikaanse warme lunch, ook de directeur van een bankfiliaal en zijn vrouw. Tot mijn ouders hoorden dat dat echtpaar het eten niet goed genoeg voor zichzelf vond en er een varken mee vetmestte; vanaf dat moment rammelden de pots and pans niet meer voor hen.

Memorie 5 – Nieuw: Pindakaas!

De Amerikaanse militairen die ons in september 1944 in Limburg bevrijdden, brachten allerlei dingen mee die nieuw voor ons waren. Maïs bijvoorbeeld, voorgekookte korrels in grote kakikleurige blikken. Veel van hun levensmiddelen kwamen uit blik: jam, kaas, boter, corned beef. Nieuw voor mij was kauwgom, in plakjes, waarvan ik eerst nog niet wist wat je ermee moest.

Vrijwel meteen viel ik op pindakaas; die had ik misschien vóór de oorlog weleens geproefd, maar dat was ik dan vergeten. De eerste pindakaas kwam uit zo’n groen blik; Peanut Butter stond erop. Naderhand waren er aardige Amerikaanse families die ons potjes pindakaas stuurden via de pakketpost. Meestal waren het de dozen waarin de potjes met twaalf tegelijk uit de fabriek kwamen, die in pakpapier waren gewikkeld. Het was een wonder als ze onbeschadigd aankwamen. Meestal waren enkele potjes beschadigd. Het was mijn vaders eer te na om die weg te gooien. Dus spreidde hij een theedoek op de tafel uit, zette een potje met versplinterde buitenkant vóór zich en begon met engelengeduld en een theelepeltje de pindakaas met glassplinters weg te scheppen, tot hij er zeker van was dat er geen splintertje meer in de pindakaas was te bekennen. Dat het geen peanuts waren kan ik je verzekeren. Misschien is het te danken aan de moeite die mijn vader heeft gedaan om de pindakaas te redden dat ik zo’n sterke band met die lekkernij heb ontwikkeld.

Overigens werd de pindakaas gedeeld met vrienden en bekenden.

Op internet zocht ik een plaatje van pindakaas uit de VS in oorlogstijd, maar ik vond het niet. Wel een aandoenlijk verhaal van een Amerikaan die als jong soldaat bij de aalmoezenier diende en gewonden liet aansterken met Frans stokbrood belegd met pindakaas: <http://med-dept.com/testimonies/floyd_freeman.php>

Memorie 4 – Een kilometer, hoe ver is dat?

Als kind probeer je je een voorstelling te maken van afstanden om daar in de rest van je leven een houvast aan te hebben. Een kilometer, dat zijn duizend meters, leerde je op school. Een meter, dat wist je van moeders centimeter. Maar duizend meters? Ik mocht een keer met een oom mee in de auto en door de kilometerteller in de gaten te houden leerde ik dat ik in Sittard vanaf ons huis bij de kruising van Rijksweg en Wilhelminastraat tot aan de Geldersestraat moest lopen om een kilometer af te leggen. Nu nog denk ik daaraan als ik me de afstand van één kilometer voorstel.

Van de ANWB-wegwijzer tegenover ons huis leerde ik dat de afstand van Sittard naar Maastricht 21km is en van Sittard naar Heerlen 16km. Tot Brunssum was het op de fiets een kilometer of tien, bij de kruising in Amstenrade had ik er al acht achter de rug. Naar Roermond, waar mijn eerste vriendin woonde, fietste ik op zondag 26km en in Echt was ik op 13km precies halfweg; vooral op de terugweg was het fijn te weten dat je er al de helft op had zitten.

Zo werden in mijn jonge jaren de piketpaaltjes uitgezet waarmee ik me in de rest van mijn leven op afstanden oriënteerde.

Memorie 3 – Anton Philips

Omstreeks 1964 werkte ik af en toe samen met een directeur van een Amsterdams reclamebureau die aan het begin van zijn carrière bij Philips had gewerkt. In een gesprek stak hij een beetje de draak met het toen nog in opkomst zijnde Engelse spraakgebruik in zijn vak. Hij vertelde dat de reclame- en verkoopafdelingen bij Philips van tijd tot tijd presentaties van hun plannen gaven. De grote baas, dr Anton Philips, liep in die tijd nog rond door het bedrijf en schoof af en toe ergens aan. Dat gebeurde ook bij zo’n presentatie. Een van de jonge marketinggoden begon een uiteenzetting over plannen op het gebied van household appliances. Anton Philips stond op de achterste rij even op en vroeg: wat zei u? ‘Household appliances, mijnheer Philips’, antwoordde de spreker. Wát zei u?, herhaalde Philips. ‘Eh, huishoudelijke apparaten, mijnheer Philips.’ Dank u, zei Philips en ging weer zitten.

Memorie 2 – Nog meer schoonmaak

Morgen is het 20 april, de verjaardag van mijn vriend Peter Adriani. Wij leerden elkaar in Driebergen in de politiek kennen, verloren elkaar snel uit het oog en ontmoetten elkaar opnieuw in de redactie van het Tijdschrift voor Jeugdhulpverlening. Ons kantoor in Utrecht werd er grondig schoon gehouden door mevrouw Koopman, die ook op 20 april jarig was en die daarom in mijn geheugen zit vastgeknoopt aan Peter Adriani. Vandaar dat ik nu aan haar denk.

Mevrouw Koopman was in hart en nieren Utrechtse en Nederlandse. Ze kon zich niet voorstellen dat iemand tevreden was met een warme maaltijd waar geen aardappels en vette jus deel van hadden uitgemaakt. Dat ik vegetariër was en liever rijst dan aardappels at, accepteerde ze alleen omdat we dikke vrienden waren.

Het was in de jaren dat zich geleidelijk een milieubewustzijn ontwikkelde, ook op ons kantoor. Maar mevrouw Koopman kon het allemaal gestolen worden. Ik herinner me van haar het overvloedig gebruik van bleekwater. We dronken thee uit een witte porseleinen pot en die had van binnen een gezonde bruine aanslag gekregen. Maar mevrouw Koopman had nog nooit gehoord dat de thee daardoor beter ging smaken; voor haar was het vuil dat ze te lijf moest gaan. Dus kwam ze ons een keer trots de hagelwitte theepot laten zien die ze een beurt met bleekwater had gegeven. Het duurde een poosje voordat we de thee weer met plezier dronken.

Voor de aardwormen in de achtertuin was er geen sprake meer van een poosje. Toen mevrouw Koopman het stoepje met bleekwater had geschrobd, was het onkruid weg, maar de wormen kwamen half-verteerd bovengronds. Wij verbleekten kennelijk zo sterk dat het bleekwater sedertdien minder gretig werd gebruikt.

In tegenstelling tot de wormen kan ik nog steeds met warmte terugdenken aan de vriendschap met mevrouw Koopman, waarvan akte op haar verjaardag.

Memorie 1 – Lodalientje

In een gezin met acht kinderen was de afwas altijd een klus om flink tegenop te zien. Mijn ouders bepaalden na de avondmaaltijd wie de klus zouden klaren, waarna mijn vader zich met de krant terugtrok op het toilet en mijn moeder in een stoel bij de kachel ging zitten. Van de oudste kinderen moest er één dringend huiswerk maken, de ander naar het andere toilet en wie niet snel een smoes bij de hand hadden, waren de klos. In de keuken werden de drie rollen verdeeld: de afwas, het afdrogen en het opruimen. De afwas had het voordeel dat je het eerste weer klaar was, het opruimen was favoriet omdat je er pas later aan hoefde te beginnen en misschien kon je het tegen die tijd wel zijn vergeten.

Afdrogen dus, dat was aanpoten. Het aanrecht was klein en als je niet opschoot, kreeg je commentaar van de afwasser die de spullen niet kwijt kon. Op mijn ziekbed had ik als roodvonkpatiënt in mijn schetsblok een afwasmachine ontworpen, maar daarmee was ik de tijd tientallen jaren vooruit.

Er gloorde hoop toen ineens Lodalientje verscheen. Glazen literflessen (plastic bestond nog niet) met een wat zeepachtig middeltje waarvan je een scheutje in het afwas- of spoelwater deed. Dat had, als het goed was, tot effect dat het water van het serviesgoed in het afdruiprek droop. Ha, we hoeven niet meer af te drogen! Maar er bleken blauwige strepen op glazen en borden achter te blijven, zodat er toch nog wat viel af te drogen. Alleen de theedoeken raakten minder snel doorweekt.

Het spul kwam uit de Lodafabriek, waarvan ik me meen te herinneren dat hij in Breda stond, althans in West-Brabant. Het etiket leek te zijn ontworpen met de lineaal: recht- en driehoeken, als ik het me goed herinner. Het schort van Lodalientje die op het etiket stond af te wassen wees stijf naar achteren. De kleuren van het etiket: groen en rood, als mijn herinnering me niet bedriegt.