Memorie 33: Water rondom de Moerdijkbrug

Moerdijkbrug. Foto uit het Utrechts Archief.

De dierentuin. Op de plek waar ik nu woon is de dichtstbijzijnde te vinden op meer dan 100 kilometer; met het moderne transport is dat gemakkelijk op één dag te doen.

In mijn Limburgse jeugd was het andere koek. Er waren toen in Nederland maar een paar dierentuinen en het dichtste bij was vermoedelijk Burgers Dierenpark in Arnhem. Vooral in de oorlogsjaren was de reis daar naartoe een hele onderneming. Daardoor bracht mijn eerste bezoek aan een dierentuin mij via Breda naar Rotterdam. Inderdaad: Blijdorp!

Ik logeerde af en toe bij een oom en tante in Princenhage, onder de paraplu van Breda. Ik denk dat het in 1943 was dat mijn tante voorstelde om een dag naar Blijdorp te gaan. Ik herinner me van de dierentuin vooral het voederen van nijlpaarden. Toen we die grote, uit het water oprijzende, logge beesten stonden te bewonderen, verscheen naast ons een verzorger met een emmer vol donkerbruine broden. De nijlpaarden hadden hem meteen in de gaten, sperden hun enorme bekken wijdopen en tot mijn stomme verbazing gooide de verzorger er een heel brood in. En dat in oorlogstijd.

Maar de meeste indruk maakte die dag de treinreis over de Moerdijkbrug. Dat was natuurlijk een strategisch object dat door de bezettende Duitsers streng moest worden bewaakt. Daarom moesten, ook op die warme, zomerse dag, tijdens het passeren van de brug de ramen gesloten zijn zodat er geen explosieven naar buiten konden worden gegooid. Het was de tijd van passagierstreinen met wagons die bestonden uit van elkaar gescheiden coupé’s, die als voorgesneden boterhammen aan elkaar vast zaten. Elke coupé had zijn eigen deuren, aan elke kant één, en elke deur had zijn eigen venster, dat met een zware leren riem kon worden opgetild of omlaag gelaten. Bij het naderen van de brug moesten de ramen dicht, want aan weerszijden van het spoor stonden Duitse soldaten met emmers water. Als ze een niet-gesloten raam ontdekten, gooiden ze er water naar binnen.

Treincoupé op een blik van Droste. De riem om het raam te sluiten is goed te herkennen onder het raamkozijn.

Een reiziger in onze coupé probeerde het raam te sluiten, maar de metalen omlijsting bleek klem te zitten in de sponning en er was geen beweging in te krijgen. Onze medereiziger had er misschien al ervaring mee. Hij griste een overjas van een haakje en spande die met zijn armen over het open kozijn, hem van onderen met zijn buik vastklemmend, zodat de wind er geen vat op kreeg. Zo bereikten we droog de andere oever en later op de dag de hongerige nijlpaarden.

Bij de Moerdijkbrug moest ik altijd aan die treinreis denken, ook toen ik een jaar na de Watersnoodramp met mijn neef naar Dordrecht fietste en we langs de hooggelegen weg aan stro in de bomen konden zien hoe ontstellend hoog het water er in februari 1953 was gekomen. In de buurt van de brug kochten we in een kruidenierswinkel een reep chocolade. De stuiver die we terugkregen zag er groen uit. “Hij is echt hoor”, zei de mevrouw van de winkel, “hij heeft alleen een tijd in het water gelegen.”

Memorie 32: Rookworst en pepernoten

Sinterklaas – hier in Brazilië is hij een grote onbekende, behalve in de Nederlandse kolonies, vermoed ik. Hier speelt Papai Noel (Vadertje Kerst) de rol van de grote weldoener en hij doet hier de ronde zonder pieten, zonder roe en zak-voor-stoute-kinderen. Ik doe het hier dus met de vele herinneringen aan de Sinterklaasavond, vooral die uit mijn jeugd.

Ik schreef al eerder op dit weblog dat het bij mijn ouders thuis armoe troef was en dat alle dubbeltjes driemaal werden omgedraaid. Maar de creativiteit van mijn vader was zo groot dat de pakjesavond in de regel uren duurde. En de voorbereiding ook, want er werden achter de coulissen geheime opdrachten uitgevoerd in de uren voordat er hard op de voordeur werd gebonkt en aan de bel werd getrokken als teken dat we wasteilen en manden vol geschenken en surprises naar binnen mochten halen.

Het was nog maar kort na de oorlog dat mijn vader me in de late middag meenam om nog wat inkopen te doen. In de winkels verschenen in die tijd weer conserven-in-blik en mijn vader kocht een behoorlijke voorraad sperziebonen en appelmoes. Thuis gaf hij mij een rol pakpapier en liet me van telkens drie of vier blikken stevige rollen maken. Die waren allemaal voor mijn moeder en ze zorgden meteen voor een flinke vulling van de teilen en manden.

Mijn moeder had op haar bureautje een boek liggen dat ze ‘op proef’ had uit de boekhandel en dat snel werd ingepakt en van een gedicht voorzien. De oudere kinderen keken welke boeken, kleren of ondergoed ze de laatste tijd vóór Sinterklaas hadden gekregen en pakten dat voor zichzelf in. Het enige wat telde was dat er zo veel mogelijk zou zijn uit te pakken, want dan duurde de avond lekker lang.

Eén van mijn zussen genoot van het maken van ingewikkelde surprises en probeerde die zo in het grote huis te verbergen, tot in holle gordijnroeden toe, dat ze bijna onvindbaar waren. En mijn vader, die als ceremoniemeester aan het hoofd van de lange tafel zat met aan weerszijden de manden met verrassingen, wist altijd als eerste de banketstaven en pepernoten op tafel te toveren.

Er was veel hilariteit als de pakjes open gingen en al bekende cadeautjes tevoorschijn kwamen. Toen mijn moeder het boek uitpakte, keek ze heel beteuterd: “O, dat heb ik net op proef gekregen. Dat moeten we dan maar snel terugbrengen”.

Veel tijd ging heen met het luisteren naar gedichten en het genot van banketstaven, chocoladeletters en dampende chocolademelk.

Onze hond Boefje bracht de avond in de keuken door omdat hij anders niet van de cadeaumanden af zou kunnen blijven. Maar als het laatste cadeautje op tafel was verschenen werd snel een zak met het hondencadeau onder de lege verpakkingen verstopt. Als Boefje binnen werd gelaten ging hij direct achter zijn neus aan, nam een duik in het pakpapier en kwam weer boven met … een rookworst.

Bij Sinterklaas hoort een gedicht. Ergens op een harde schijf kwam ik wat Sinterklaasgedichten tegen die ik in voorgaande jaren maakte. Onder andere dit, geschreven voor een wandelvriendin, als bijlage bij een paar wandelsokken:

Een writer’s block? Zo wil ik het niet noemen

Maar dat de woorden niet als bont boeket

van fris ontloken bloemen hier zijn uitgezet,

dat wil en kan ik niet verbloemen

Mijn pen is moe, van al mijn schrijven

zal weinig werkelijk beklijven

Mijn thema’s zijn de inkt niet waard

want ‘k schrijf verhaaltjes met een baard

Mijn pen is moe, en Piet is moe

Mijn paard wil naar de haver toe

het baalt van wortels uit een schoen

en zegt: ik ga een tukkie doen

Mijn pen is moe, mijn bril beslaat

en voordat ‘t licht naar bed toe gaat

dicht ik voor jou een kreupel rijm

Maar ach, wat zou december zijn

als er geen Sint en Piet bestaan

die ‘s nachts van schoen naar schoorsteen gaan?

Nee, zonder de goedheiligman

is er voor schoenen niks meer an

Trek daarom eens je stappers aan

en laat Sint aan je zijde gaan

Een voettocht in de wintertijd,

daarvoor is dit geschenk gebreid!

Memorie 31: Een heiligdom vol boeken

Er moet vast nog wel een foto van zijn. Dat grote pand in de hoek van de Sittardse markt, tussen de Gruizenstraat en de lunchroom op de hoek van de Limbrichterstraat. Op de gevel hing een  groot houten bord, in mijn herinnering vrijwel even breed als het hele pand, met de tekst Boekbinderij*.

Mijn vader stuurde mij er een paar keer per jaar naar toe. Hij was geabonneerd op twee tijdschriften die het waard waren te worden bewaard. De uitgever leverde een kaft waarin een hele jaargang kon worden gebonden tot een mooi boek. Van het ene tijdschrift herinner ik me de naam niet meer (ik meen dat het over liturgie ging), het andere was Wending, een tijdschrift gewijd aan ‘evangelie, cultuur en samenleving’. Mijn vader had een sterke band met dat blad, hij kon er met warmte en enthousiasme over praten en je merkte dat het hem inspireerde.

In de loop van het jaar werden de afleveringen verzameld op een stapeltje. Af en toe nam ik een voorschotje op hun bundeling en klopte het stapeltje keurig recht, zodat het al een beetje op een boek ging lijken.

Waren de kaften voor de beide bundels binnen, dan nam ik de stapels onder mijn arm en toog ermee naar de binderij.

Het pand maakte een statige indruk. Het had in het midden van de gevel een hoge voordeur, waarachter zich een lange en eveneens hoge gang uitstrekte. Aan de linkerkant van de gang waren twee deuren, die beide toegang gaven tot een grote kamer, waarin op forse tafels de door klanten ingeleverde tijdschriften lagen uitgestald, en oude boeken die aan een opknapbeurt toe waren. Vermoedelijk was het de andere kamer, in ieder geval een andere tafel, waar de kant-en-klare boeken wachtten tot ze door de opdrachtgevers werden opgehaald.

De boekbinder (ik weet zijn naam niet meer) was zelf ook een wat statige figuur. Groot, ernstig, met in zijn voorkomen iets van een schoolhoofd. Hij had in mijn herinnering altijd een soort voorschoot om, kennelijk zijn ‘werkkleding’.

Het pand had voor mij iets van een heiligdom. Als je binnenkwam voelde je dat het op de een of andere manier een gewijde ruimte was, waar je met gedempte stem praatte en waar de boekbinder de voorganger was. Het leek wel een beetje alsof de ruimte zwanger was van alle ideeën die de schrijvers van al die boeken en tijdschriften aan hun lezers hadden willen overdragen. Een heiligdom dus van ideeën en van het communiceren daarvan. Een beetje vergelijkbaar met de sfeer van een echte boekwinkel (zoals vroeger Het Boekhuis en boekwinkel Alberts in Sittard), waar je in virtuele boekwinkels niet om hoeft te komen.

Het voelde als een bijzondere opdracht als ik er de ingebonden jaargangen mocht ophalen, met de ronde ruggen en de zeer glad en strak afgesneden pagina’s. Je voelde dat de losse tijdschriften een metamorfose hadden ondergaan; ze waren getransformeerd naar een zekere eeuwigheidswaarde. Het was net of ze tijdens hun korte verblijf in de boekbinderij een wijding hadden ontvangen die hen tot hogere orde had bevorderd.

* En ja, die foto blijkt er te zijn. Op de onvolprezen en zeer toegankelijke site van het Euregionaal Historisch Centrum Sittard-Geleen is deze foto uit 1949 te vinden, die precies klopt met mijn herinnering.

Memorie 30: Voor als het licht uitvalt

In mijn vorige herinnering schreef ik dat Sittard zich snel uitbreidde. Dat merkten we ook toen op een avond het licht uitviel en niet meer terugkwam. In allerijl moesten we kaarsen en lucifers zoeken om in het donker de weg te kunnen vinden. Ik zat over een boek gebogen in verband met een proefwerk de volgende dag. Er waren meer klasgenoten die het onheil had getroffen, maar de leraar liet het koud, het proefwerk ging gewoon door.

We hoorden dat de elektriciteit het in bijna de hele stad had begeven. De elektriciteitscentrale bleek niet opgewassen tegen de sterk toenemende vraag. Met mijn vader ging ik op straat poolshoogte nemen. Tot onze grote verrassing brandde er licht in een gereedschapswinkel aan de Voorstad. Daar had men nog een gaslamp, een heel ouderwetse vorm van verlichting. Vroeger was dat ook in ons huis het geval geweest, zoals was te zien aan de loze gasleidingen die naar de lichtpunten in de gang en de vestibule leidden.

Het licht zou in die tijd vaker uitvallen. Bij Kleikamp, een andere winkel in gereedschappen en dergelijke, vermoedde men dat misschien al. Kennelijk was er iemand het magazijn ingedoken, want in één van de etalages verscheen de middag na de stroomuitval een serie petroleumlampen, in die tijd al min of meer historisch, met een bordje: Voor als het licht uitvalt.

Memorie 29: Mijn eerste zelfbedieningswinkel

Albert Heijn, De Gruyter, Jamin, de Coöperatie en wat later ook De Spar, ze hadden allemaal een filiaal in Sittard in de jaren dat ik er naar school ging. We kwamen vaak bij de Coöperatie, omdat die winkel vlak achter ons huis lag (op de hoek van de Wilhelminastraat en de Kleine Steeg) en je er heel snel even een boodschap kon doen. De winkel zat in een pand dat er apart uitzag: aan beide zijden van het hoekpand een grote boogvormige etalage. De winkel was deel van een complex waarin ook een grote broodbakkerij was gevestigd. Op zaterdagmiddag mochten wij er door moeder gemaakte vlabodems brengen die werden gebakken als de ovens begonnen af te koelen.

Ik herinner me niet meer in welk jaar het was, maar op een gegeven moment kwam mijn vader thuis met de mededeling dat je bij Albert Heijn nu zelf je boodschappen kon verzamelen in een mandje. Tot op dat moment was de winkel van Albert Heijn volgestouwd geweest met grote kasten en stellingen; het was een vrij donkere ruimte, behalve vlak bij de etalages. Als klant kwam je niet verder dan de toonbank. De filiaalchef en zijn medewerksters namen daar je wensen op en wogen de boodschappen voor je af. Mijn moeder had een bestelboekje van Albert Heijn, waarin ze thuis de boodschappen noteerde. Wij gingen dan met het boekje naar de winkel. Als het om veel boodschappen ging, werd alles keurig thuisbezorgd, zonder dat je daarvoor extra moest betalen, meen ik me te herinneren.

Toen werd de winkel ineens omgebouwd tot de eerste zelfbedieningskruidenier van de stad. Er werd zelfs verteld dat het de eerste zelfbedieningswinkel in het land was, maar de Wikipedia vertelt dat de eerste AH-supermarkt in 1952 in Schiedam werd geopend; Sittard was vermoedelijk wel spoedig daarna aan de beurt. Ik ging er snel een kijkje nemen en ik herinner me nog heel goed dat ik het een ongezellige winkel vond, erg licht, zeker vergeleken met de oude winkel, en ook leeg, vooral in de hoogte. Er waren een paar lange, smalle gangen waar je het hele assortiment van AH zag uitgestald. We vroegen ons meteen af of zo’n winkel geen paradijs voor potentiële dieven was; camera’s waren er in die tijd nog niet, evenmin als poortjes en beveiligingsstrips. Ik heb nog steeds het idee dat winkeldiefstal vóór de komst van de zelfbedieningswinkels niet of nauwelijks bestond.

Het was in de tijd dat Sittard flink uitbreidde vanwege de komst van een Philipsfabriek waar roosters voor radiobuizen werden gewikkeld en meer nog vanwege de snelle uitbreiding van de Staatsmijnen. Er verschenen nieuwe wijken, onder andere in het stadsdeel dat Baandert heet. Een commissie verzon voor nieuwe straten nieuwe namen. Eén van de leraren Nederlands van het Bisschoppelijk College Sint Jozef maakte deel uit van het gezelschap. Het zal aan hem te danken zijn geweest dat een deel van de straten naar schrijvers werd genoemd. Mijn vader vertelde eens grinnikend dat hij in de rij bij de kassa van Albert Heijn achter een mevrouw stond die haar boodschappen graag thuisbezorgd wilde hebben. Gevraagd naar haar adres verzuchtte ze: ik weet de naam van de straat wel, maar ik kan hem niet uitspreken. Ha, zei mijn vader, dan denk ik dat het de Guillaume Franquinetstraat is. Jááá, zei ze, dat is ’m, fijn dat u me kunt helpen. Ik leerde ervan dat je moet oppassen bij het kiezen van straatnamen dat je het de bewoners niet al te lastig maakt.

Ook De Gruyter had een mooie winkel in de stad, vlak bij de Markt. In tegenstelling tot de oude Albert Heijn was het een ruime en lichte winkel. Ook hier uiteraard toonbanken, met langs een lange wand een hele collectie trommels en bakken met allerlei soorten koffie, waar De Gruyter bekend om was. Daarboven een prachtig tegeltableau van enkele vierkante meters waarop je mensen in een tropisch landschap bezig zag koffiebonen te plukken. Ik vond het fascinerend en keek er graag naar. Het zal vast ook een zelfbedieningszaak zijn geworden, maar daar is niets van op mijn netvlies blijven hangen.

Schuin tegenover De Gruyter was Jamin te vinden. Een winkel die vol stond met heel veel glazen flessen en potten met chocolaatjes en ander lekkers. Er was marmer, chroom en er waren spiegels, waardoor ook deze winkel een lichte indruk maakte. Wij gingen er vooral naar toe om suiker te kopen, want die verkocht Jamin goedkoper dan de andere kruideniers. En voor de zaterdag en zondag mochten we een zakje chocolade hulstblaadjes meebrengen, een tractatie waar ik ook nu heimwee naar kan hebben. Ik voel de gekartelde opstaande randjes van de blaadjes nog mijn verhemelte prikkelen.

Memorie 28: Verkeerd verbonden

Magnoliaboom

Mijn Groningse grootvader was wel bij velen populair, maar hij was ook eigenwijs en kon ronduit onaardig uit de hoek komen. Ik herinner me dat als ik bij opa en oma logeerde, opa zich aan allerlei dingen kon ergeren. Hij vond het vervelend onder het eten te worden gestoord. Belde er tijdens de lunch iemand aan die iets met hem wilde bespreken, dan liet opa Antje, de dienstbode, de boodschap overbrengen: maakt u maar even een wandelingetje; het Sterrenbos aan de overkant is erg mooi.
Ook de telefoon irriteerde hem tijdens het eten, maar hij nam wel op. Soms had iemand zich in het nummer vergist; als hij zei: neemt u me niet kwalijk, ik ben verkeerd verbonden, dan kreeg hij als antwoord: néé, u bent niet verkeerd verbónden, u hebt verkeerd gedrááid!
Ik vond hem op zulke momenten niet aardig. Maar het bontst maakte hij het toen hij een keer bij ons in Sittard logeerde. Het was een prachtige zomerdag en opa zat met mijn vader en mij op het grasveld onder de bloeiende magnoliaboom. Het hek dat de tuin van de straat scheidde, draaide piepend open. Er kwam een oudere mijnheer met de fiets aan de hand het grintpad op. Wij kenden hem; het was een weduwnaar wiens vrouw op de hervormde begraafplaats op korte afstand van ons huis was begraven. Hij bezocht regelmatig het graf en kwam dan de sleutel van de begraafplaats lenen die bij ons in de brievenbus lag. Hij groette ons en mijn vader stelde hem aan opa voor. ‘Bent u dominee Coolsma uit Groningen?’, vroeg hij blij verrast. Weer een van die mensen die over opa hadden gehoord en ervan overtuigd waren dat hij hun respect verdiende. Na een gesprekje trok de bezoeker een sigarenkoker en bood opa een sigaar aan. ‘Nee, dank u’, zei opa wat bits, ‘ik rook niet.’ En hij liet er meteen op volgen: ‘En u zou er ook beter aan doen niet te roken. Het is erg ongezond’. De bezoeker keek beteuterd, alsof hij een standje had gekregen, en zei: ‘Ach, u moet maar denken: het is zo ongeveer het enige pleziertje in mijn leven sedert mijn vrouw er niet meer is’. Ik herinner me niet meer woordelijk wat mijn grootvader antwoordde, maar van enige compassie was geen sprake, eerder van nóg een standje. Ik voelde dat ik het heel onredelijk van hem vond. Stukje bij beetje viel opa van zijn voetstuk.

Memorie 27: Lifters-WW

Liften anno 2012

In mijn studententijd liftte ik veel. Met wisselend succes en plezier. Ik herinner mij de vele momenten van twijfel: gaat er nog iemand voor me stoppen? Op een late vrijdagavond stond ik langs een stoeprand vlakbij het station in Weert. Er kwam geen auto meer langs, ik hoorde een trein aankomen uit de richting Eindhoven; het kon de laatste zijn in de richting Sittard. Ik holde naar het loket, vroeg wat een enkeltje kostte en hield nog precies een stuiver over.
Gelukkig kwam er bijna altijd toch nog wel een automobilist die me uit medelijden meenam. Aanvankelijk was mijn enige attribuut mijn rechterduim. Maar nadat een paar keer een automobilist voor me was gestopt die een heel andere kant op moest en het niet zo leuk vond dat hij voor niets was gestopt, maakte ik van een reep karton een ‘wegwijzer’, waar op de ene kant Sittard stond, op de andere kant Amsterdam, en een tweede met Eindhoven en Den Haag. De meeste automobilisten waardeerden het wel; ik kwam er maar één tegen die zei: “Het komt een beetje ondankbaar op me over, zo van: als je me niet tot Amsterdam meeneemt, hoeft het niet”.
Eén keer was een automobilist door twee lifters op zijn achterbank beroofd, nadat hij ze had verteld dat hij met veel geld onderweg was naar de bank. De week daarna merkte je dat automobilisten minder snel voor een lifter stopten. Ik was me er eigenlijk altijd wel van bewust dat als ik een beetje een aardige passagier was, dat ook andere lifters ten goede kon komen. Eén keer werd het me in de schoot geworpen. Op een maandagochtend stond ik met mijn bordje Amsterdam langs de rijksweg in Sittard. Er kwam een kever aan met een snelheid die duidelijk maakte dat de chauffeur niet voor me ging stoppen. Maar toen hij mijn bordje zag, bedacht hij zich, schoot naar de kant van de weg en bood me een lift rechtstreeks naar Amsterdam aan. “Als u dat bordje niet had gehad, was ik niet gestopt”, zei hij, “handig!”
We raakten aan de praat, hij vroeg wat ik studeerde en wat ik vóór mijn studie al had gedaan. Ik vertelde dat ik bij de uitgeverij Focus had gewerkt, gespecialiseerd in fotografie en film. “Jammer dat ik u dan niet eerder heb ontmoet”, zei mijn gastheer. Hij bleek medisch specialist te zijn in een ziekenhuis in Heerlen en bezig met een proefschrift over de aanpak van een bepaalde aandoening. Daarbij speelde infraroodfotografie een rol en Focus had daarover ooit een boek uitgegeven, dat helaas was uitverkocht en niet zou worden herdrukt. Ik beloofde dat ik bij de verkoopchef zou informeren of er niet ergens nog een exemplaar was te vinden.
Ter hoogte van Den Bosch bleek er iets niet in orde met de remmen van de Volkswagen. We stopten en riepen de Wegenwacht te hulp. Ik had een kleine camera bij me – in die tijd niet zó gebruikelijk als tegenwoordig – en maakte foto’s van de sleutelende wegenwacht en de dokter.
Bij Amsterdam namen we hartelijk afscheid. Ik belde Focus en ontwikkelde mijn foto’s, om afdrukken naar de dokter en de wegenwacht te sturen. Van beiden kreeg ik na enige tijd een briefje. De dokter bedankte me voor de foto’s en vooral voor de bemiddeling die ertoe had geleid dat hij alsnog een exemplaar van het infraroodboek had gekregen. “Sedert onze ontmoeting neem ik elke lifter mee die ik tegenkom”, besloot hij. Ik denk dat het de mooiste herinnering is uit mijn lifters-wel-en-wee.

Memorie 26: Van de regen in de drup

Een model van een DAF-truck van Van Gend en Loos met de NS-laadkist.
Een model van een DAF-truck van Van Gend en Loos met de NS-laadkist. Foto: Peter de Wit (FaceMePLS).

Mijn grootvader van vaders kant was predikant in Groningen. Hij was gevierd als voorganger in de Kinderkerk, die hij organiseerde in de Der Aa kerk* op de Vismarkt. Niet alleen kinderen kwamen er graag, ook veel volwassenen gingen liever daar ter kerke dan in een volwassenendienst. Verder werd mijn grootvader zeer bekend als gevangenispredikant en later als geestelijk verzorger van mensen die na de Tweede Wereldoorlog een tijd moesten ‘zitten’ omdat ze in de oorlog fout waren geweest.
Zijn populariteit maakte dat hij eraan gewend was geraakt dat mensen het hem graag naar de zin maakten, waardoor hij ook veel zijn zin kréég. En soms had ik de indruk dat hij het mensen kwalijk nam als ze niet bij voorbaat deden wat hij graag wilde.
In zijn reactie op mijn vorige Memorie bracht Bert Ernste Van Gend en Loos ter sprake. Mijn grootvader woonde in Groningen in een mooi huis aan de Sterrenbosstraat, vlakbij het bos met die naam. Aan de overkant van de straat was een groot open terrein dat ervoor zorgde dat er vrij veel daglicht binnenkwam in de woonkamer en in de daarboven gelegen studeerkamer van mijn grootvader. Maar opa ergerde zich aan het feit dat het terrein in gebruik was als parkeerplaats voor de vrachtauto’s van Van Gend en Loos. In de loop van de ochtend vertrokken die auto’s één voor één en dan lag het terrein er vrij verlaten bij. Maar in de loop van de middag keerden ze terug en ‘s avonds en in het weekend keken opa en oma tegen de achterkanten van de roerloze vrachtauto’s aan. Mijn grootvader beklaagde zich erover bij Van Gend en Loos of misschien bij de gemeente. Van Gend en Loos bleek bereid er iets aan te doen. Het hele terrein werd aan het zicht onttrokken door een schutting met de hoogte van een grote vrachtauto.
Vanaf dat moment leerden mijn grootouders dat je misschien nog beter tegen een vrijwel leeg parkeerterrein of enkele uren tegen de achterkanten van de vrachtauto’s aan kon kijken dan vierentwintig uur tegen een onbeweeglijke en zeer monotone schutting. Ze waren zo gezegd van de regen in de drup terechtgekomen, als het al niet andersom was: van de drup in de regen.
Ik vond het als jonge knaap wel interessant, die vrachtauto’s, vooral de speciale DAF-trucks met een oplegger waarop de eerste containers met de puur Nederlandse naam laadkist werden vervoerd. Pas recent las ik dat dat een vinding was van de NS, die pas later ook in het buitenland furore maakte. Het waren, vergeleken met de huidige containers tamelijk sierlijke, aluminiumkleurige kisten, waarmee bedrijven en particulieren ladingen van deur tot deur konden laten vervoeren. De vrachtauto’s waren erop ingericht de laadkist van de straat omhoog te trekken, vervolgens op speciale spoorwagons te zetten en op de plaats van bestemming van de trein naar het eindadres te brengen. Zo jong als ik was vond ik het een mooie vinding. Hierbij een foto die ik vond op internet.

*En nu nog een aardige anecdote waarop ik stuitte toen ik de naam van de Der Aa kerk op internet controleerde. De kerk beschikt over een orgel van de Duitse orgelbouwers Arp Schnitger. Mariana (Minas Gerais, Brazilië), waar ik nu woon, is heel trots op het orgel in de plaatselijke kathedraal (de Sé), het enige Arp Schnitger orgel buiten Europa. Op vrijdagen en zondagen worden er orgelconcerten op gegeven. Zie Órgão da Sé.

Mijn mening: Tablet versus e-reader

Links de Sony e-reader, rechts de iPad (grootte ongeveer in verhouding)

In een vergelijking van een tablet, zoals de iPad, met een e-reader is aangevoerd dat de grotere mogelijkheden van de iPad, zoals het vrijwel tegelijkertijd e-mailen of skypen, de tablet minder geschikt zou maken om er een boek op te lezen. De concentratie op het lezen zou te wensen overlaten, terwijl de e-reader minder afleiding biedt en het dus gemakkelijker maakt je op je boek te concentreren.

Toch denk ik, op basis van ervaring met beide, dat een tablet zoals de iPad het lezen van een boek juist kan veraangenamen. Als een nadeel werd aangevoerd dat de lezer op een iPad eerder in de verleiding zou komen even iets op te zoeken, bijvoorbeeld het antwoord op een vraag die tijdens het lezen bij je opkomt. Voor mij is dat juist een voordeel. Als ik een papieren boek lees of een elektronisch boek op een e-reader en ik kom een woord of begrip tegen dat ik wil opzoeken, dan moet ik boek of e-reader wegleggen en naar de encyclopedie, het woordenboek of de computer lopen. Met de iPad schakel ik even over naar het woordenboek of de browser en zoek ik in een mum van tijd de informatie op. Ik word minder afgeleid doordat er minder tijd voor nodig is de gewenste informatie op te zoeken. Vooral met boeken in een taal die ik niet volledig beheers, is dit een groot voordeel.

Zou een e-reader mij hetzelfde comfort willen bieden, dan is het niet genoeg als ik er mijn hele digitale boekenschat op bij de hand heb, maar dan zouden er ook direct toegankelijke woordenboeken en een encyclopedie op beschikbaar moeten zijn. Ik heb de e-reader nog niet gezien die wat dat betreft in de schaduw van het gebruiksgemak van een goede tablet kan staan.

Bovendien geldt het argument van gemakkelijke afleiding natuurlijk niet voor degene die bewust voor het lezen van een boek kiest dat hem interesseert. Wie een papieren boek leest dat niet echt boeit, zal eerder tijdens het lezen de telefoon aannemen, koffie gaan halen of iets anders doen dat niets met het lezen te maken heeft. En als ik op de iPad een boek lees dat me boeit, laat ik me noch door de andere functies van de tablet noch door andere dingen afleiden. Integendeel, de iPad of andere tablet maakt me het lezen juist aangenamer doordat het zo gemakkelijk is even snel een verklaring van een onbekend woord of een vertaling van een woord in een andere taal op te zoeken. Als ik me dat realiseer, herinner ik me hoe vaak het is voorgekomen dat ik ietwat geïrriteerd raakte als ik mijn boek even weg moest leggen om naar de boekenkast of de computer te lopen.

Tegenover het papieren boek wordt als bezwaar van de iPad aangevoerd dat die zwaarder is dan de meeste boeken. Dat is waar, maar ik heb het gewicht van mijn iPad nog nooit als een bezwaar ervaren. Wel was het voordeel van de e-reader die ik eerst gebruikte dat die door zijn kleine formaat gemakkelijker was mee te nemen, bijvoorbeeld in de bus. Een wat kleinere tablet zou wat dat betreft een voordeel bieden.

Als een nadeel van de iPad is verder aangevoerd dat je met het glimmende scherm niet in de zon zou kunnen lezen. Maar ik heb het altijd al hinderlijk en misschien ook wel slecht voor mijn ogen gevonden om met een blinkend wit boek in de zon te gaan zitten.
Zo bleek ook het scherm van de e-ink e-reader niet echt op papier te lijken; het gebrekkige contrast maakte het lezen daarop minder aangenaam dan op de iPad.

Maar als je eigenlijk alleen maar romans wilt lezen, waarbij je nooit iets hoeft op te zoeken in een encyclopedie, woordenboek of atlas, dan is de e-reader qua formaat en gewicht vooralsnog in het voordeel.

Memorie 25: Melkmaat

Zijn naam ben ik helaas vergeten, terwijl ik hem toch vele malen moet hebben gebruikt. Maar hemzelf ben ik niet vergeten: de melkboer die zes dagen per week bij ons langs kwam in Sittard. Hij zelf was een kleine, tengere man met in mijn herinnering altijd een pet op zijn hoofd. ‘s Winters staken zijn vingers uit gebreide wollen handschoenen zonder vingers. Zijn melkbussen stonden op een houten kar die door een eveneens klein en tenger paardje werd getrokken. In de winter stond er een laag van vochtige lucht om het paardenlijf.
Hij stopte zijn wagentje aan de Wilhelminastraat, die links langs ons huis liep. Als het erg koud was, kwam hij naar de deur van de bijkeuken; was het minder koud dan liepen wij hem tegemoet, met een melkkoker en, indien nodig, ook met een grote pan.
In zijn melkbussen had hij, als ik het me goed herinner: melk, taptemelk en karnemelk. Taptemelk, ja, wat was dat ook alweer? Wikipedia antwoordt dat het de huidige magere melk is. Ik geloof dat we het een beetje als tweederangs melk beschouwden.
Onze melkman had een echte melkmaat, een metalen kannetje met een inhoud van één liter. In mijn herinnering had het een aluminiumkleur en een koper- of messingkleurige rand. Er zal vast een merkteken op hebben gezeten, als bewijs dat de maat geijkt was.
Toen de oorlog een tijdje voorbij was, bleek er ineens yoghurt te bestaan. Die leverde onze melkboer ook uit een melkbus. Ik was meteen gek op yoghurt en dat is nooit meer veranderd; waar ik ook kom, wil ik graag de yoghurt proberen.
Naderhand kwam de melk in flessen, die we de volgende dag weer netjes inleverden.
Toen ik met mijn jonge gezinnetje in Den Haag woonde (omstreeks 1960-1962) kwam ook daar een melkboer vijf of zes dagen in de week aan de deur. Vrijwel alle melkproducten zaten toen al in flessen. En de Haagse melkboer had paard en wagen geruild voor een Volkswagenbusje. Maar voor mijn gevoel hoorde hij toch nog in de categorie van onze Sittardse ‘melkmaat’.

De foto van een melkman die in 1944 in Den Haag taptemelk verkocht, vond ik op de site: http://www.fotoleren.nl/ Het is een foto van Menno Huizinga.

Onze digitale revolutie heeft ook een nieuwe emancipatiegolf veroorzaakt, in die zin dat iedereen, ongeacht zijn kennis, ervaring, intelligentie, ieder ogenblik de hele wereld kan laten weten wat hij van alles vindt. Hofland, de Groene, 24-04-2012