Memorie 24: Eenmalige ontmoetingen

Een in Nederland wonende Amerikaan, die een deel van zijn leven in New York City had gewoond, vertelde me eens het een en ander over die stad. Hij had er geen heimwee naar, maar hij had er wel bepaalde goede herinneringen aan. Eén van de fijne dingen van New York, vertelde hij, is dat je er anoniem kunt zijn en blijven. In de tijd dat hij er had gewoond, was hij meermalen in een willekeurige kroeg met een andere gast aan de praat geraakt, met iemand die hij helemaal niet kende en met wie hij toch intieme zaken uit hun beider levens had uitgewisseld. Hier zou je dat niet doen, zei hij, want de kans is niet uitgesloten dat je elkaar nóg eens tegenkomt of dat de ander iemand ontmoet die jou ook blijkt te kennen. Maar in New York, daar was hij heilig van overtuigd, zou je elkaar nooit opnieuw ontmoeten als je daar niet nadrukkelijk op uit was. Je kon je ziel en zaligheid geheel op tafel leggen zonder er bang voor te hoeven zijn dat de ander er kwaad mee kon.
Ik moest daaraan denken toen ik door iets anders werd herinnerd aan een periode in mijn leven waarin ik veel liftte. Ik studeerde in Amsterdam en ging in het weekend vaak naar mijn ouders in Sittard of naar een vriendin in Eindhoven. Ik ontmoette veel verschillende mensen die mij een lift gaven omdat ze liever niet alleen in de auto zaten, of omdat ze dachten: help die arme sloeber maar een eindje op weg, of omdat ze zin hadden in een praatje.
Eén van de automobilisten die me de zitplaats naast zich aanbood, vertelde over zijn werk. Hij was vertegenwoordiger in schoenen en reed als zodanig het hele land door. Een probleem in zijn werk was dat hij vaak uitnodigingen kreeg om namens zijn firma acte de présence te geven bij de opening van een nieuwe of gemoderniseerde schoenwinkel. Daar werd steevast gedronken en natuurlijk ook of vooral alcohol. Hij wilde niet uit de toon vallen en dronk een biertje, een glas wijn of een borrel mee, en het bleef niet altijd bij één glas. Een paar maal was hij daarna in de val van een alcoholcontrole getrapt en hij was ook een paar maal veroordeeld. De laatste keer, vertelde hij mij, moest hij twee weken ‘zitten’. Nu is twee weken niet zó lang, vond hij, maar twee weken doelloos doorbrengen in de gevangenis had hij als zo nutteloos en zo vernederend ervaren dat hij zich had voorgenomen alleen nog maar jus d’orange te drinken als hij nog moest rijden. Hij vertelde het me op zo’n dringende manier dat ik de indruk kreeg dat hij mij, zo jong als ik nog was, wilde waarschuwen het nooit zover te laten komen. En ik kon me ook niet helemaal aan de indruk onttrekken dat hij het af en toe even van zich af wilde praten, en dan is het fijn als er iemand naar je luistert die je niet nóg eens zult tegenkomen. Ik ben die ontmoeting nooit vergeten, omdat ik me kon voorstellen dat in zijn situatie het niet gemakkelijk is de alcohol te laten staan als iedereen om je heen tegen je zegt: ach joh, één glaasje maar. In de tweede plaats omdat hij zich bij mij kennelijk genoeg op zijn gemak voelde om zijn verhaal te vertellen. En in de derde plaats omdat het voor mij een vroeg voorbeeld was van het voordeel van de anonimiteit waar mijn Amerikaanse vriend me veel later over sprak. Ik merkte toen ik uit zijn auto stapte, dat het nadrukkelijk een band had geschapen, in anonimiteit notabene.

Memorie 23: Protestant en domineeszoon in Limburg in de periode 1942-1955

De toren van de Hervormde Kerk in Sittard

Toen mijn vader eind 1942 zijn intree deed in de hervormde gemeente van Sittard was ik ruim zes jaar oud en in Enschede, waar we vandaan kwamen, was ik ruim een maand eerder voor het eerst naar school gegaan. Een dag of wat na onze aankomst in Sittard ging ik naar de protestantse Gustav Hoefferschool, die vlak naast ons huis stond. Ik herinner mij nu dat al snel duidelijk werd dat de kinderen van de dominee op een speciale manier werden bekeken, net als de kinderen van de onderwijzers. Het was duidelijk dat mijn vader als predikant een bijzondere positie innam en iets daarvan straalde op zijn kinderen af.

Een voor mij belangrijk en moeilijk aspect was dat mijn ouders en vooral mijn vader het gevoel leek te hebben dat hij en zijn gezin zich voorbeeldig behoorden te gedragen. Ik denk dat hij sterk het gevoel had dat er in Limburg meer op ons en ons gedrag werd gelet dan in een omgeving waar protestanten minder opvielen. Het werd in de loop der jaren wel minder, vooral voor mijn jongere broers en zussen, maar zelf heb ik de daaruit voortvloeiende druk nog heel lang gevoeld, tot ik al een tijd niet meer in Limburg woonde en zelfstandig was geworden.
Wij waren met acht kinderen en ik was de op één na oudste. Doordat ik wat gezeglijker was dan mijn oudere zus, denk ik dat mijn vader van mij nog sterker verwachtte dat ik me zou gedragen zoals hij het graag zag. Dat uitte zich in tal van dingen.
Kerkgang was in ons gezin niet bijster populair. Wij kenden de stem van onze vader al te goed om er tijdens de kerkdienst erg geboeid naar te luisteren. Daar kwam bij dat mijn vader geen groot kanselredenaar was; zijn sterke kanten lagen meer op het sociale, communicatieve en organisatorische vlak. Toen het gros van mijn broers en zussen de leeftijd had om naar de kerk te gaan, was een stelregel dat er ten minste twee of drie van de acht ter kerke hoorden te gaan. Steevast wierp mijn oudere zus zich op om ‘op de kleintjes te passen’, zoals onze jongste zussen werden aangeduid. Meestal viel mijn vaders keus als eerste op mij als hij degenen aanwees die met hem naar de kerk zouden gaan. Ik nam dan als eerste een rijtje munten van de eetkamertafel, uitgestald om mee te nemen als bijdrage voor de drie collectegangen. Met ons tweeën of drieën bevolkten we de eerste bank aan de rechterzijde, die was gereserveerd voor het domineesgezin en waar anderen ons gezelschap hielden als de kerk eens stampvol liep. Het was natuurlijk een vorm van respect die mooie bank voor het domineesgezin te bestemmen, maar ik had er vaak iets voor over gehad als ik gewoon had kunnen aanschuiven in één van de banken achterin de kerk.

Niet alleen wat de kerkgang betreft werden aan ons als domineeskinderen bijzondere eisen gesteld. Toen in Heerlen een protestantse middelbare school werd opgericht, verwachtte de eerste directeur dat minstens één van de Sittardse domineeskinderen daar school zou gaan. Niet alleen ik zelf had er weinig oren naar, ook mijn ouders werden er liever niet toe verplicht omdat het dagelijks met de bus naar Heerlen op en neer gaan een extra aanslag op het kleine traktement zou betekenen. En mijn eerste oude fiets zou ik pas een jaar vóór mijn eindexamen krijgen.
Een soortgelijke situatie deed zich voor toen een van de leden van de hervormde gemeente een protestantse korfbalclub oprichtte en verwachtte dat ik daar wel zou komen meespelen. Maar in ons gezin werd helemaal niets aan sport gedaan en mijn belangstelling ging in heel andere richtingen. Later gebeurde het nog een keer toen een ander gemeentelid een protestantse tennisclub oprichtte en mij probeerde te dwingen daarin mee te doen.

Als ik er nu op terugkijk zie ik die jaren als opgroeiende protestantse domineeszoon als een periode waarin ik erg veel moest, waarin ik aan veel verwachtingen moest voldoen en waarin ik me nogal eens schuldig heb gevoeld als ik me van die druk bevrijd wilde voelen. Een kortdurend maar ernstig conflict kreeg ik met mijn vader toen ik met een aantal leeftijdgenoten belijdenis zou doen. Ik dacht daar veel over na en niet zo lang voordat we zouden worden ‘aangenomen’ twijfelde ik er ernstig aan of mijn geloof eigenlijk wel sterk en doordacht genoeg was om deze grote stap te zetten. Ik zie nog de vertwijfelde blik en het verwijt in de ogen van mijn vader toen ik hem dat in zijn studeerkamer vertelde. Het was überhaupt al niet zo gebruikelijk dat iemand zich op het laatste moment terugtrok, maar mijn vader zag het als een persoonlijke afgang als hij zijn kerkenraad en zijn gemeente moest vertellen dat zijn eigen zoon door twijfel overmand was geraakt. Mijn vader probeerde mij ervan te overtuigen dat zulke twijfel wel vaker voorkwam, maar altijd onterecht bleek, of zoiets. Ik besloot mijn gevoelens maar niet verder uit te spreken en gehoorzaam belijdenis te doen.

Het was natuurlijk lang niet allemaal kommer en kwel, maar ik herinner me toch heel goed dat wij als protestantse en misschien nog wel meer als domineeskinderen min of meer op een eilandje leefden. Als ik probeer me mijn protestantse vrienden te herinneren, dan denk ik dat zij zich er ook goed van bewust waren dat ze tot een speciale groep behoorden; maar of dat voor hen ook weleens ietwat traumatische trekjes had, kan ik niet zeggen. Toen ik naar het gymnasium op het bisschoppelijk college ging, verkeerde ik daar in de omgeving van bijna uitsluitend rooms-katholieke klas- en schoolgenoten. Ik voelde mij daar, zeker in de laatste jaren, goed thuis en ik had er verschillende zeer goede vrienden, terwijl ook de relaties met veel leraren uitstekend waren. De verschillen in onze kerkelijke achtergrond speelden soms wel een rol, maar vaak pakte dat voor mij ‘voordelig’ uit. Ik hoefde niet naar het lof op dinsdagmiddag (als ik me dat goed herinner) en had dan dus eerder vrij. Als mijn klasgenoten in Spaubeek op retraite gingen, mocht ik die twee dagen thuis blijven. Hetzelfde gold voor een jaarlijke bedevaartstrip naar bijvoorbeeld Kevelaer.

Toch voelde ik ook in de loop van die jaren dat ik niet voor honderd procent bij mijn klasgenoten hoorde. Twee van mijn vrienden gingen op dansles en daar mocht ik niet mee naar toe. Er was een strikte scheiding: rooms-katholieke jongens en meisjes mochten alleen met elkaar dansen, niet met leeftijdgenoten van een andere religie. En dansles voor protestanten was er niet. Op zichzelf was dat niet zo erg, want dansen hoorde er in ons gezin niet bij. Misschien werd het niet meer als iets van de duivel gezien, maar we konden er toch beter wat uit de buurt blijven. Pas in latere jaren ging ik het als een gemis zien dat ik niet had leren dansen.
Die ontoegankelijkheid van de dansles maakte wel nog eens nadrukkelijk duidelijk dat in die tijd omgang tussen jongens en meisjes van verschillende religie niet op prijs werd gesteld, of het moest onder streng toezicht gebeuren. Zo organiseerden het bisschoppelijk college en het meisjeslyceum van de zusters Ursulinen een ‘Academie’, een debatingproject voor de leerlingen van de hogere klassen van beide scholen. Ik zie ons nog zitten, aan alle zijden omringd door (veelal priester)leraren die nauwlettend in de gaten hielden of de jongens en meisjes wel op gepaste afstand van elkaar bleven.
Voor mij was deze voelbare tweedeling tussen rooms-katholieken en protestanten in de omgang tussen jongens en meisjes echt een probleem. De meisjes die mij boeiden behoorden allemaal tot dat andere geloof en dat maakte hen voor mij in feite onbereikbaar. Mijn eerste liefde bleef onuitgesproken en ik miste daardoor een spontane kennismaking met de omgang tussen jongens en meisjes, waar sommige andersdenkende klasgenoten naar hartenlust mee experimenteerden.

Voor mijn ouders was het, vooral in de eerste jaren in Sittard, een aftasten van wat mogelijk en wenselijk was. Processies bekeken we wel, maar liefst vanaf een beschermde plek, zodat er niet te veel boze ogen op ons werden gericht als we niet knielden. De carnavalsoptocht bekeken we met grote belangstelling, maar zelf aan het carnavalsfeest deelnemen was pas jaren later voor mijn jongere broers en zussen weggelegd. Zelfs de kermis meden we aanvankelijk en later mochten we er een enkele keer schoorvoetend naar toe.
In de tijd van 1942 tot pakweg 1955 voelde je je min of meer veilig in de eigen kring, die van de hervormde gemeente en aanvankelijk van de protestantse lagere school. Maar als domineeszoon voelde ik me verplicht ook daar op mijn tellen te passen om niet het aanzien van mijn ouders te grabbel te gooien. Bovendien was ik bij mijn klasgenoten niet altijd populair doordat mijn vader mij en mijn zus op gezette tijden een stapel gestencilde kerkbodes meegaf. Het was de bedoeling dat klasgenoten die onderweg naar huis bij gemeenteleden in de bus zouden doen. Zag één van die klasgenoten me met een stapel papier aankomen, dan kreeg ik een vuile blik en een verwensing toegeworpen.
De plezierigste herinneringen heb ik misschien wel aan de ontmoetingen met protestanten buiten onze eigen gemeente: in het kader van de Jonge Kerk met leeftijdgenoten van elders in Midden- en Zuid-Limburg, en met jonge Duitse protestanten met wie we contact kregen via de weinige protestanten in de Selfkant, het stukje Duitsland dat een paar jaar bij Nederland hoorde, en via de contacten die mijn vader legde met zijn collega-Pfarrers over de grens. Op die momenten werd onze protestantse groep een stuk groter, het was alsof je protestant-zijn dan ineens een extra dimensie kreeg. We genoten steeds nog lang na van zulke ontmoetingen.

Van duidelijke spanningen tussen rooms-katholieken en protestanten herinner ik me weinig of niets. Aanvankelijk leefden beide geloofsgemeenschappen veelal langs elkaar heen, op de door mijn vader veelvuldig gezochte contacten met rooms-katholieke priesters en notabelen na. Het was mede aan de oecumenische en tolerante houding van mijn vader te danken dat protestanten op de duur meer en meer werden geaccepteerd. Ik herinner mij wel dat ik een keer een steen naar mijn hoofd geslingerd kreeg van een jongen die met een kameraad langs de pastorietuin liep en riep: vieze vuile protestanten! Maar zoiets was een uitzondering.

Een doorbraak kwam, zoals gezegd, toen ik al uit Sittard was vertrokken. Mijn broers en zussen die zich in het carnavalsgedruis stortten, gemengde huwelijkssluitingen – in mijn herinnering kwam het allemaal vrij plotseling op gang in de loop van de zestiger jaren. Toen ging het ook snel, dank zij bewegingen zoals Sjaloom in Odijk, waar ik sedert 1966 vlakbij woonde en mijn heil kon zoeken. Mijn vader had me erop geattendeerd en eenmaal bezochten we ook samen een zondagochtend-bijeenkomst van Sjaloom in het Bunnikse motel. Maar toen was ik dus al geruime tijd letterlijk en figuurlijk uit het overwegend rooms-katholieke Limburg van mijn jonge jaren vertrokken.

Memorie 22: Een minder donkere zijde van de armoe

Laatst schreef ik over de stille armoe in het huis van mijn ouders. Dat was niet gemakkelijk, vooral voor mijn ouders zelf die ervoor verantwoordelijk waren het gezinsleven zo goed en zo kwaad als het ging in stand te houden.

Maar naderhand realiseerde ik me dat er ook een minder donkere zijde aan de armoe had gezeten. Als er in huis iets kapot ging, probeerden we het eerst zelf te repareren. En mijn vader was er een meester in noodreparaties te verzinnen. Ging er een zekering kapot – we hadden toen alleen nog maar van die porceleinen ‘kaarsjes’, met aan de onderkant een gekleurde afsluiting die aangaf welke belasting de zekering aankon – dan repareerden we die met één of twee koperdraadjes uit een oud snoer. Daarmee werd de metalen bovenkant verbonden met het gat waar het gekleurde dopje uit was gevallen en zo staken we de zekering terug, op hoop van zegen. Later begreep ik dat het ‘levensgevaarlijk’ had kunnen zijn. Maar bij ons werkte het goed en ik herinner me niet dat er ooit een ongeluk mee is gebeurd. De gereedschapskist lag dan ook vol met eindjes verlengsnoer.

Mijn vader leerde mij hoe ik een steker aan een verlengsnoer kon vervangen, hoe een kapot stopcontact te repareren, hoe een lekke fietsband te plakken, hoe een band te vervangen, hoe een fietsketting te smeren en hoe de bougie van zijn motorfiets schoon te maken of een verstopt benzinefilter open te blazen.

Het was mij toen al opgevallen dat de weinig bemiddelde collega’s van mijn vader vaak ook ‘handige jongens’ waren, creatievelingen, goede knutselaars en soms ook handige ritselaars.

Memorie 21: Uit het geheugen van mijn overgrootvader

Terugblik_titelblad

Zelf heb ik hem nooit ontmoet, want toen ik geboren werd, was mijn overgrootvader Sierk Coolsma al geruime tijd overleden.

Hij was een bijzondere man. Van kuipersleerling werd hij handzetter en later zendeling (protestants voor missionaris) en directeur van het Zendingshuis in Rotterdam, waar aanstaande zendelingen werden opgeleid.

Mijn vader liet mij wel eens een Soendanees-Nederlands woordenboek zien dat door mijn overgrootvader was samengesteld. En een beetje trots was hij ook wel op het feit dat zijn grootvader de bijbel uit het Nederlands in het Soendanees had vertaald. Voor een goed begrip: het Soendanees is een taal die op midden-Java wordt gesproken, ruwweg in het gebied tussen Bogor (het vroegere Buitenzorg) en Bandung.

Jaren geleden kreeg ik een telefoontje van een Leidse promovendus die bezig was een proefschrift af te ronden over de taalkundige prestaties van mijn overgrootvader. Hij verzekerde mij dat wijlen Sierk Coolsma op dat gebied een kei was, “een bolleboos” noemde hij hem, als ik het me goed herinner.

Nog weer wat later vond een van mijn broers in een bibliotheek een boekje met de titel ‘Terugblik op mijn levensweg’, de autobiografie van onze voorvader. Ik heb er destijds een fotokopie van gemaakt en enkele weken geleden dacht ik: waarom maak ik er geen e-boek van? Een paar dagen scannen en corrigeren en stoeien met een voor mij nog onbekend programma hadden succes. Ik kan liefhebbers nu een plezier doen met hetzij een ePub-versie, hetzij een PDF van het boekje.

Voor leden van de Coolsmafamilie is het boekje interessant omdat het een stukje familiegeschiedenis bevat. Maar het is ook interessant voor wie geïnteresseerd is in het Nederlandse koloniale verleden en vooral in de zending in het toenmalige Nederlands Oost-Indië.

Mijn overgrootvader had uitgesproken meningen over de zending en over de uitgangspunten van zijn zendingsorganisatie. Uit zijn boekje blijkt dat er in de tijd rondom de wisseling van de negentiende en de twintigste eeuw een ‘richtingenstrijd’ aan de gang was, waarin rechtzinnigen en vrijzinnigen elkaars overtuigingen aanvochten. Bij het lezen dacht ik soms: dit zou ook over onze tijd kunnen gaan.

Wie het boekje eens wil zien, mag het hier downloaden: ePub-versie PDF

Memorie 20: De radio ondergedoken

De Philips radio van mijn ouders

Iemand herinnerde mij naar aanleiding van Memorie 19 aan het feit dat je in de oorlog geen radio mocht hebben. Die moest bij de Duitsers worden ingeleverd.

Wij woonden, toen de oorlog begon, in Enschede en één van mijn vroege herinneringen is dat mijn ouders een gesprek hadden over de vraag of zij de radio zouden inleveren of niet. Mijn moeder was er, als ik het me goed herinner, voor om geen onnodig risico te lopen en dat ding maar in te leveren. Maar vader voorzag dat het een belangrijke bron van informatie kon zijn en uiteindelijk bleef de radio in huis, zij het uiteraard op een verborgen plek.
Mijn vader legde mijn zus en mij uit dat wij maar net moesten doen of we al een hele tijd geen radio meer hadden. Ik vatte dat letterlijk op en toen mijn zus de volgende dag een schoolboek kwijt was en mopperde: gisterenavond lag het nog op de radio, zei ik: hoe kan dat nou, we hebben toch al lang geen radio meer?
In de pastorie in Sittard, waar we eind 1942 naar toe verhuisden, zat boven wandkasten in de slaapkamer van mijn ouders een soort verborgen bergruimte, waar vader de radio in wist te wurmen. Als hij de kust veilig waande, tilde hij een plank op, trok een verlengsnoer tevoorschijn en kon net bij de volumeknop. Zo volgden we het nieuws van Radio Oranje.
We hadden in de zomer van 1944 een groepje Duitsers ingekwartierd gekregen die in onze voorkamer een verbindingscentrum hadden ingericht. Twee dagen vóór de bevrijding kwam de jonge commandant mijn vader halen. Komt u bij ons maar even naar het laatste nieuws luisteren, zei hij; het duurt niet lang meer voordat u bevrijd zult zijn. Naderhand vertrouwde hij mijn vader toe dat ze wel in de gaten hadden dat wij zelf ook naar de radio luisterden.
Het waren vriendelijke militairen, die weleens een praatje waren komen maken. Een voorbeeld van het gelijk van mijn vader dat er ook goede Duitsers waren. Op de ochtend van hun vertrek haalde de commandant vader op en hij zette de twee of drie anderen in de gang in de houding. Hij meldde zich bij vader af met de wens dat de Amerikanen ons snel zouden bereiken.

Memorie 19: Bliksemactie

In mijn jonge jaren moest iedereen met een radio luistergeld betalen en had je twee radio’s, dan zelfs tweemaal. Toen de televisie zijn intrede deed, werd het kijk- en luistergeld. Het ging om een bedrag van in mijn herinnering aanvankelijk een gulden per maand (nu zou dat 45 eurocent zijn geweest). Je werd geacht iedere maand op het postkantoor een luisterzegel te kopen en die op één van de twaalf vakjes op een speciale kaart te plakken.

Soms kwam er een controleur in een leren jas, op een motor. In de omstandigheden van mijn ouders gaven zij meestal voorrang aan andere uitgaven en die zegelkaart bleef dus vaak leeg.

Stond de controleur weer eens voor de deur, dan gaf mijn vader mij of één van mijn broers gauw een paar guldens om via de achterdeur naar het postkantoor op loopafstand te hollen en voldoende zegels te kopen voor de al verstreken maanden. De controleur kreeg te horen dat de kaart werd gezocht – wat ook zo was, want die stond ergens tussen hele rijtjes post, rekeningen en aantekeningen op het schrijfbureau van mijn vader en bij het zoeken onder stress werd de kaart gemakkelijk over het hoofd gezien. Na terugkomst van de ‘koerier’ met de zegels werden die als de wiedeweerga op de kaart geplakt en aan de controleur getoond. Ik had altijd het idee dat hij het allemaal wel door had, maar aan het einde van onze bliksemactie tekende hij aan dat wij aan onze verplichtingen hadden voldaan en dat was het enige belangrijke. Ik word er nog kortademig van als ik eraan denk.

(Met dank aan mijn zus Jenneken die me dit via een omweggetje in herinnering bracht.)

Memorie 18: Sociale controle

Met klasgenoten op de dag van de diplomauitreiking, op de stoep van het Bisschoppelijk college Sint Jozef. 25 juni 1955

Omdat er geen keus was, ging ik voor mijn gymnasiumopleiding naar het Bisschoppelijk college Sint Jozef in Sittard. Toen ik er in 1947 binnenstapte was die school met duizend leerlingen (waarvan enkele honderden in het internaatsdeel) de grootste school voor voortgezet onderwijs van het land. De vooruitstrevende rector Op de Coul vond dat eigenlijk te groot en streefde naar een wat lager leerlingaantal.

Als leerlingen werden wij geacht ons netjes te gedragen en de controle op ons gedrag was opgedragen aan drie priesterleraren die de functie van ’prefect’ vervulden. Er was één prefect voor de jongens in het internaat en voor alle anderen waren er twee: één voor de ’externen’ die binnen de grenzen van de parochie van het stadscentrum woonden en één voor alle ’buitenexternen’ die verder van de school woonden, tot soms wel vijftien kilometer.

Ik had mazzel dat ik heel dicht bij de school woonde en dus tot de ’binnenexternen’ behoorde, want onze prefect, de priesterleraar Franken, die naar de bijnaam Loki luisterde, was een uiterst beminnelijk man.

Maar zijn collega die de scepter zwaaide over de buitenexternen, had een strengere taakopvatting. Als hij in je buurt was, moest je op je gedrag letten. Eén van mijn klasgenoten ondervond dat toen hij op de ochtend na een vrije woensdagmiddag werd aangesproken door de prefect. ”Ik kwam jou gisterenmiddag op straat tegen met een meisje.” O. ”Ja, en dat was niet zo’n net meisje.”

De volgende dag kreeg de prefect bezoek van de ouders van de klasgenoot. Dat meisje was namelijk hun dochter, die met haar broer was ’betrapt’.

Niet alleen de school zorgde zo voor de sociale controle. Op een ochtend moest ik me om half tien bij de tandarts melden. Tien minuten tevoren liep ik er door de winkelstraat van Sittard naar toe. Een wildvreemde mijnheer keek naar mij vanaf de overkant van de straat, stak over en vroeg mij: ”Moet jij niet naar school?!” Ik antwoordde dat ik onderweg was naar de tandarts. ”Weten je ouders daarvan?” Toen ik daarop ja antwoordde, liet hij me doorlopen. Van leerplichtambtenaren had in die tijd nog nooit iemand gehoord en die waren dus ook helemaal niet nodig.

Memorie 17: Armoe troef

De pastorie, predikantswoning, van de Hervormde gemeente in Sittard. Ansichtkaart uit de twintiger jaren van de vorige eeuw.

Mijn vader was predikant van de Hervormde Kerk. Ooit had de hervormde gemeente in Sittard voor zijn zieleherder een mooie en indrukwekkende pastorie gebouwd, op een centraal punt in de stad, het belangrijkste verkeersknooppunt. Het huis oogde groot en het werd omgeven door een grote tuin die vooral indruk maakte vanwege een magnoliaboom die zijn zware takken als lange armen van laag tot hoog over het groene grasveld eronder uitspreidde. In de bloesemtijd stonden veel voorbijgangers stil om de grote, roomkleurige bloemen van onze magnolia te bewonderen. Soms verzamelde zo iemand moed en kwam vragen of hij een tak met een paar van die wonderbaarlijk mooie bloemen mocht meenemen.

Het huis was tegen het einde van de negentiende eeuw gebouwd – als ik het me goed herinner bevatte de gevel een steen met het jaartal 1896 -, het had dus geen spouwmuren en al helemaal niet iets als centrale verwarming. Maar als kinderen merkten wij wel dat we werden geacht tot de meer bemiddelde families te behoren, want we woonden toch in zo’n ”mooi, groot huis”?

Wat vanaf de straat niet was te zien, was dat het binnen vaak armoe-troef was. Predikanten van de Hervormde Kerk verdienden in die tijd een zeer schamel traktement, zoals het maandsalaris heette. Dat desalniettemin veel hervormde predikanten een redelijk tot goed bestaan wisten te leiden was te danken aan het feit dat zij hetzij uit een bemiddelde familie stamden hetzij een rijke vrouw hadden getrouwd. Als dochter uit een rijke familie kon je in die tijd goed aankomen met een jonge predikant; dat werd meestal als een aanwinst in aanzien gezien. En in een rijke familie stond het vaak goed als één van de zoons predikant werd, in een rooms-katholiek gezin uiteraard priester of pastoor. Onder de collega’s van mijn vader zagen we er de schoolvoorbeelden van.

Mijn vader kreeg zijn traktement contant uitbetaald, officieel op de laatste werkdag van de maand, meen ik. De kerkvoogd die ook als penningmeester optrad, kwam dan in de avonduren bij ons thuis en telde op de salontafel het hele bedrag uit. In de jaren dat ik naar school ging bedroeg het traktement minder dan vijfhonderd gulden (zeg maar 225 euro) en daar moesten mijn ouders met uiteindelijk acht kinderen het van zien te redden. Eenmaal verscheen de kerkvoogd niet op de gebruikelijke avond. De volgende ochtend belde hij op met excuses en de verklaring: hij was vergeten het geld van de bankrekening van de kerkelijke gemeente op te nemen.
Hij zal zich niet hebben gerealiseerd wat die ene dag in ons gezin betekende. De laatste week tot soms tien dagen vóór de betaaldag stuurde mijn moeder ons om boodschappen zonder een cent of met alleen een paar overgeschoten dubbeltjes. Bij de groenteboer Onink, de bakker van de Coöperatie en andere leveranciers van dagelijkse boodschappen moesten wij vragen ”of het even opgeschreven kon worden”. Mijn moeder zelf voelde zoveel schaamte dat ze de laatste dagen de straat niet op durfde.
En mijn vader probeerde financieel te plannen door al zijn uitgaven bij te houden op de kasblaadjes in zijn Succesagenda. Dat gebeurde tot op de cent nauwkeurig en ik herinner me hoe vaak we vader moesten helpen te bedenken waar die dag nog twee dubbeltjes aan konden zijn uitgegeven. Niet dat die boekhouding veel hielp natuurlijk, het was meer een bezweringsformule van mijn vader om zichzelf wijs te maken dat hij er nog een beetje greep op had.

Dat het grote huis meer schone schijn dan echte ’rijkdom’ was bleek voor wie verder kwam dan de entree. Vooral de buitenmuur van de slaapkamer van mijn ouders liet de gevolgen zien van het gebrek aan spouwmuren met een naar wind en regen toegekeerde buitenmuur. Het zwart beschimmelde behang hing van bovenaf als zware papieren lappen naar beneden; soms viel er gruis achter naar beneden en een enkele keer kwam er achter het smerige behang een rat van de zolder.
Het huis had mooie hoge kamers, maar in de winter ondervonden wij er de nadelen van. De voor- en de achterkamer werden verwarmd met hoge kolenkachels. Hoewel we op de lip van de kolenmijnen woonden, konden mijn ouders niet meer betalen dan cokes of slam. Dat laatste was een vette massa van kolengruis en -stof, dat vanaf de open laadbak van een pikzwarte vrachtauto via een soort schudgoot door een kelderraam in de voor-kelder werd gestort. De slam was moeilijk te stoken, gaf niet heel veel warmte en liet met een beetje pech een dikke en harde laag in de kachel achter die we er met een grote pook en veel kracht uit moesten zien te hakken.

In de voorkamer of salon werd alleen gestookt op zon- of feestdagen of als er gasten waren. Verder was uitsluitend de keuken verwarmd via een ouderwets kolenfornuis. En op de eerste etage ging een kleine potkachel aan op de avond dat we de één na de ander in bad gingen. Ik moest vaak voor het stoken van dat kacheltje zorgen en genoot een heimelijk genoegen door het licht in de badkamer uit te doen en langdurig te gaan zitten kijken naar het roodgloeiende buikje van het kacheltje dat steeds ronder leek te worden.
Pas veel later kregen we in de woonkamers, de studeerkamer van mijn vader en de slaapkamer van mijn ouders gashaarden.

Het huis was slecht onderhouden. Af en toe trad een nieuwe kerkvoogd aan, die zich voornam er wat aan te doen. Maar steeds bleek het een veel te dure aangelegenheid te worden. Ik herinner me nog goed dat ik een aannemer moest wijzen hoe hij op de bovenste verdieping het dak op kon om de staat van dakbedekking en goten op te nemen. Razendsnel was hij, echt wit om de neus, terug. Die goten zijn zó rot, zei hij, het is levensgevaarlijk er een stap in te zetten. Bij mijn weten hééft er daarna ook niemand meer een stap in verzet.

In de winter waren de grote kamers door de beperkte warmte verkleind tot een bewoonbare ruimte met een straal van anderhalf tot twee meter rondom de kachels. Als je op de rand van die cirkel zat, kreeg je een koude rug, maar van voren was je lekker warm. Het voordeel van dat nadeel: dat we verplicht waren dicht op elkaar te kruipen.

Memorie 16: Een nacht in de kelder

Sittard, waar ik vrijwel mijn gehele jeugd doorbracht, meende op de avond van 18 september 1944 te zijn bevrijd door de Amerikanen. Het gerucht ging dat het vijf kilometer zuidelijker gelegen Geleen die dag was bevrijd en er hing al enige tijd een gespannen stilte. Op het kruispunt waar wij woonden, waar het verkeer uit de richting Maastricht naar het Noorden zich samenvoegde met het verkeer uit de richting Heerlen, had zich een schare gevormd van mensen die hoopten de eerste bevrijders te kunnen verwelkomen. Ineens verscheen er een Amerikaanse militair op een motorfiets die vroeg of iemand de Amerikanen de weg wilde wijzen. Een jonge man, van wie meteen werd verteld dat hij met hetzelfde gemak met de Duitsers had aangepapt, stapte achter op de motor en weg waren ze. Er kwam een rood-wit-blauwe vlag tevoorschijn die breed werd uitgespannen over de weg.

Toen verscheen plots uit het niets een motor met Duitse militairen, die om zich heen begonnen te schieten. De mensen stoven alle kanten op, een dertig Sittardenaren zochten een heenkomen in ons huis, waar ze uit veiligheidsoverwegingen in de kelder werden verzameld. Ik begreep dat iemand voor dood op straat was blijven liggen, met het gewenste resultaat: de Duitsers besteedden geen aandacht meer aan hem en toen ze verdwenen waren kwam hij overeind.

Met ruim dertig mensen – het gezin van mijn ouders telde toen al acht personen – in een kelder waar hoofdzakelijk niet-dagelijks gebruikte spullen werden opgeslagen is het niet eenvoudig om de sfeer een beetje ontspannen te houden. Mijn vader was vindingrijk in zulke situaties en in een eveneens naar binnen gevluchte Rode-Kruismedewerker had hij een goede maat. Op zolder – en dat wilde zeggen twee dubbele trappen op – stond wat tegenwoordig een diaprojector heet en destijds bij ons filmstrookprojector werd genoemd, de opvolger van de toverlantaarn. Mijn vader was er zeer bedreven in om met een vracht aan filmstroken met ‘lantaarnplaatjes’ een grote groep een hele tijd aan de witgekalkte muur annex projectiescherm te kluisteren.

Toen mijn vader en zijn Rode-Kruiskameraad zo ongeveer op zolder moesten zijn joeg een werkelijk enorme knal, zoals ik die nog nooit had meegemaakt, de in de kelder verzamelden in de verste hoek en ik vreesde voor het leven van mijn vader, wat in de oorlog al vaker het geval was geweest.

Naderhand hoorden we dat een Amerikaanse tank op het kruispunt linksaf was geslagen en vanuit de kelder van het Oranjehotel door een groepje van de laatste Duitsers met een pantservuist was beschoten.

Een tijdje later kwamen vader en de Rode-Kruisman ongeschonden en beladen met de projector en de filmstroken in de kelder terug. In de loop van de nacht hebben we gekeken naar beelden over insecten, over Bijbelse verhalen, over cultuurschatten en geschiedenis. Het werkte zo te zien prima, want de spanning  in de groep bleef binnen de perken.

Toen de ochtend van 19 september aanbrak keken we voorzichtig door de ramen op de begane grond. Een Duitse soldaat stond op wacht op het kruispunt. We waren nog niet écht bevrijd. Eén voor één verlieten onze gasten de kelder en ons huis.

In de loop van de dag verdwenen de Duitsers in het niets en ’s avonds trokken Amerikaanse infanteristen langs ons huis de stad in. Toen brak er echt een volksfeest uit. Een arts uit de kennissenkring van mijn vader kwam met een paar Amerikaanse sigaretten aan. Mijn vader, toen al 39 jaar oud, had nog nooit gerookt. Maar de arts zei: dit is zo totáál anders, dit móet je geproefd hebben. Sindsdien is mijn vader blijven roken, sigaretten, sigaren en een pijp.

Wat we toen nog niet wisten, was dat we in de maanden daarna vele nachten in de in allerijl ingerichte kelderruimte zouden slapen. De Amerikanen stopten in Sittard hun tocht naar het noorden, om in oostelijke richting Duitsland zelf in te trekken. Met een stuk geschut dat ergens ten noorden van Sittard verdekt was opgesteld probeerden Duitsers het strategische kruispunt bij ons huis onbruikbaar te maken. Ze schoten altijd mis: de eerste granaat sloeg een enorme krater in onze voortuin, een andere ketste op de stoep naast ons huis en vernielde luiken die onze keuken beschermden. ‘s Morgens werd dat stuk geschut aan het oog onttrokken, zodat we overdag gewoon op de begane grond konden leven. Maar elke avond daalden we de keldertrap af om redelijk beschermd te slapen.

Memorie 15: Gestempeld door de mijnen

Eerder had ik het hier al eens over de Staatsmijnen die het leven en samenleven in vooral Zuid-Limburg verregaand beïnvloedden en bepaalden. Ik kwam erop vanwege een boeiend verhaal in weekblad De Groene Amsterdammer over de teloorgang van deze destijds zo belangrijke tak van industrie. Hier is het te vinden: <www.groene.nl/2011/21/alsof-limburg-zich-schaamde>.
Er zijn vele voorbeelden van de positieve invloed op economische, sociale en culturele ontwikkelingen. Zoals dat bij veel grote industrieën het geval was, zorgden de Staatsmijnen bijvoorbeeld voor huisvesting voor hun werknemers en voor tal van sociale voorzieningen. De economie van Limburg was zo ongeveer in zijn geheel afhankelijk van de mijnen. Het was dan ook niet verwonderlijk dat bijna iedereen zich bij de mijnen betrokken voelde en dat velen die er werkten het gevoel hadden dat zij behoorden tot een grote ‘mijnfamilie’. Dat gevoel kreeg bijvoorbeeld ook degene die in het jubileumjaar 1952 van de Staatsmijnen een bezoek bracht aan de immense ‘huisvlijttentoonstelling’ Bezige Handen in Kasteel Hoensbroek (waar ook de dichter Bertus Aafjes woonde). Werknemers van de Staatsmijnen lieten daar zien hoe zij hun vrije tijd besteedden en wat voor artistieke en technische hoogstandjes dat opleverde. Het ging van vaak bijzondere schilderijen en grafische kunst tot modellocomotieven en postzegelverzamelingen. Ik herinner me dat ik daar zelf onder de indruk kwam van het creatieve en artistieke vermogen van de ‘mijnfamilie’. Zeker als kind kreeg je de indruk dat hier een venster op de wereld voor je open werd gezet.
Maar er zijn ook minder mooie voorbeelden van de grote invloed die de Staatsmijnen als werkgever hadden op het individuele leven van werknemers. Mijn vader werd als zielenherder meer dan eens betrokken bij problemen van mensen die bij de mijnen werkten. Zo was er iemand die al jaren tot zijn grote genoegen met zijn gezin in een huis woonde dat hij van de Staatsmijnen had gehuurd. Hij voelde zich in dat huis en tussen zijn buurtgenoten voor honderd procent thuis en ging er liever nooit meer weg. Maar toen kwam er een promotie, hij maakte de overstap naar het beambtendom, zoals dat heette, als ik mij niet vergis. En voor beambten waren aparte woningen gebouwd, in andere wijken en als je tot die kaste ging behoren, moest en zou je verhuizen. Ik herinner me niet meer hoe het afliep, maar mijn vader kennende denk ik dat hij de instanties heeft weten te vermurwen.
In een ander geval ging het ook om iemand die promotie zou maken, maar die te horen kreeg dat hij er, ondanks een uitstekende staat van dienst, toch niet voor in aanmerking kwam. En waarom niet? De eigen politie van de Staatsmijnen had een soort antecedentenonderzoek naar hem ingesteld en gerapporteerd dat hij communist was – en dat in de tijd waarin de Koude Oorlog zowat op zijn felst was. Mijn vader kende de hoogste baas van de mijnpolitie en trok bij hem aan de bel. Na enige tijd werd duidelijk dat iemand van de mijnpolitie in de wijk waar betrokkene woonde op straat had geïnformeerd of men hem kende. “O, die rooie! Die ken ik wel”, had een vrouw geantwoord. Dat was in die tijd kennelijk genoeg om meteen als communist te worden geboekstaafd. En waarom noemde ze hem “die rooie”? Omdat hij een hoofd met opvallend rood haar had. Maar daar had die beambte van de mijnpolitie niet naar geïnformeerd.
Het is, gezien de sterke invloed die het bedrijf had op de wijze van leven en samenleven van zijn werknemers, geen wonder dat velen zich ontworteld voelden toen de Staatsmijnen in heel korte tijd werden gesloten en ontmanteld.

Onze digitale revolutie heeft ook een nieuwe emancipatiegolf veroorzaakt, in die zin dat iedereen, ongeacht zijn kennis, ervaring, intelligentie, ieder ogenblik de hele wereld kan laten weten wat hij van alles vindt. Hofland, de Groene, 24-04-2012