Tagarchief: Herinnering

Memorie 32: Rookworst en pepernoten

Sinterklaas – hier in Brazilië is hij een grote onbekende, behalve in de Nederlandse kolonies, vermoed ik. Hier speelt Papai Noel (Vadertje Kerst) de rol van de grote weldoener en hij doet hier de ronde zonder pieten, zonder roe en zak-voor-stoute-kinderen. Ik doe het hier dus met de vele herinneringen aan de Sinterklaasavond, vooral die uit mijn jeugd.

Ik schreef al eerder op dit weblog dat het bij mijn ouders thuis armoe troef was en dat alle dubbeltjes driemaal werden omgedraaid. Maar de creativiteit van mijn vader was zo groot dat de pakjesavond in de regel uren duurde. En de voorbereiding ook, want er werden achter de coulissen geheime opdrachten uitgevoerd in de uren voordat er hard op de voordeur werd gebonkt en aan de bel werd getrokken als teken dat we wasteilen en manden vol geschenken en surprises naar binnen mochten halen.

Het was nog maar kort na de oorlog dat mijn vader me in de late middag meenam om nog wat inkopen te doen. In de winkels verschenen in die tijd weer conserven-in-blik en mijn vader kocht een behoorlijke voorraad sperziebonen en appelmoes. Thuis gaf hij mij een rol pakpapier en liet me van telkens drie of vier blikken stevige rollen maken. Die waren allemaal voor mijn moeder en ze zorgden meteen voor een flinke vulling van de teilen en manden.

Mijn moeder had op haar bureautje een boek liggen dat ze ‘op proef’ had uit de boekhandel en dat snel werd ingepakt en van een gedicht voorzien. De oudere kinderen keken welke boeken, kleren of ondergoed ze de laatste tijd vóór Sinterklaas hadden gekregen en pakten dat voor zichzelf in. Het enige wat telde was dat er zo veel mogelijk zou zijn uit te pakken, want dan duurde de avond lekker lang.

Eén van mijn zussen genoot van het maken van ingewikkelde surprises en probeerde die zo in het grote huis te verbergen, tot in holle gordijnroeden toe, dat ze bijna onvindbaar waren. En mijn vader, die als ceremoniemeester aan het hoofd van de lange tafel zat met aan weerszijden de manden met verrassingen, wist altijd als eerste de banketstaven en pepernoten op tafel te toveren.

Er was veel hilariteit als de pakjes open gingen en al bekende cadeautjes tevoorschijn kwamen. Toen mijn moeder het boek uitpakte, keek ze heel beteuterd: “O, dat heb ik net op proef gekregen. Dat moeten we dan maar snel terugbrengen”.

Veel tijd ging heen met het luisteren naar gedichten en het genot van banketstaven, chocoladeletters en dampende chocolademelk.

Onze hond Boefje bracht de avond in de keuken door omdat hij anders niet van de cadeaumanden af zou kunnen blijven. Maar als het laatste cadeautje op tafel was verschenen werd snel een zak met het hondencadeau onder de lege verpakkingen verstopt. Als Boefje binnen werd gelaten ging hij direct achter zijn neus aan, nam een duik in het pakpapier en kwam weer boven met … een rookworst.

Bij Sinterklaas hoort een gedicht. Ergens op een harde schijf kwam ik wat Sinterklaasgedichten tegen die ik in voorgaande jaren maakte. Onder andere dit, geschreven voor een wandelvriendin, als bijlage bij een paar wandelsokken:

Een writer’s block? Zo wil ik het niet noemen

Maar dat de woorden niet als bont boeket

van fris ontloken bloemen hier zijn uitgezet,

dat wil en kan ik niet verbloemen

Mijn pen is moe, van al mijn schrijven

zal weinig werkelijk beklijven

Mijn thema’s zijn de inkt niet waard

want ‘k schrijf verhaaltjes met een baard

Mijn pen is moe, en Piet is moe

Mijn paard wil naar de haver toe

het baalt van wortels uit een schoen

en zegt: ik ga een tukkie doen

Mijn pen is moe, mijn bril beslaat

en voordat ‘t licht naar bed toe gaat

dicht ik voor jou een kreupel rijm

Maar ach, wat zou december zijn

als er geen Sint en Piet bestaan

die ‘s nachts van schoen naar schoorsteen gaan?

Nee, zonder de goedheiligman

is er voor schoenen niks meer an

Trek daarom eens je stappers aan

en laat Sint aan je zijde gaan

Een voettocht in de wintertijd,

daarvoor is dit geschenk gebreid!

Memorie 31: Een heiligdom vol boeken

Er moet vast nog wel een foto van zijn. Dat grote pand in de hoek van de Sittardse markt, tussen de Gruizenstraat en de lunchroom op de hoek van de Limbrichterstraat. Op de gevel hing een  groot houten bord, in mijn herinnering vrijwel even breed als het hele pand, met de tekst Boekbinderij*.

Mijn vader stuurde mij er een paar keer per jaar naar toe. Hij was geabonneerd op twee tijdschriften die het waard waren te worden bewaard. De uitgever leverde een kaft waarin een hele jaargang kon worden gebonden tot een mooi boek. Van het ene tijdschrift herinner ik me de naam niet meer (ik meen dat het over liturgie ging), het andere was Wending, een tijdschrift gewijd aan ‘evangelie, cultuur en samenleving’. Mijn vader had een sterke band met dat blad, hij kon er met warmte en enthousiasme over praten en je merkte dat het hem inspireerde.

In de loop van het jaar werden de afleveringen verzameld op een stapeltje. Af en toe nam ik een voorschotje op hun bundeling en klopte het stapeltje keurig recht, zodat het al een beetje op een boek ging lijken.

Waren de kaften voor de beide bundels binnen, dan nam ik de stapels onder mijn arm en toog ermee naar de binderij.

Het pand maakte een statige indruk. Het had in het midden van de gevel een hoge voordeur, waarachter zich een lange en eveneens hoge gang uitstrekte. Aan de linkerkant van de gang waren twee deuren, die beide toegang gaven tot een grote kamer, waarin op forse tafels de door klanten ingeleverde tijdschriften lagen uitgestald, en oude boeken die aan een opknapbeurt toe waren. Vermoedelijk was het de andere kamer, in ieder geval een andere tafel, waar de kant-en-klare boeken wachtten tot ze door de opdrachtgevers werden opgehaald.

De boekbinder (ik weet zijn naam niet meer) was zelf ook een wat statige figuur. Groot, ernstig, met in zijn voorkomen iets van een schoolhoofd. Hij had in mijn herinnering altijd een soort voorschoot om, kennelijk zijn ‘werkkleding’.

Het pand had voor mij iets van een heiligdom. Als je binnenkwam voelde je dat het op de een of andere manier een gewijde ruimte was, waar je met gedempte stem praatte en waar de boekbinder de voorganger was. Het leek wel een beetje alsof de ruimte zwanger was van alle ideeën die de schrijvers van al die boeken en tijdschriften aan hun lezers hadden willen overdragen. Een heiligdom dus van ideeën en van het communiceren daarvan. Een beetje vergelijkbaar met de sfeer van een echte boekwinkel (zoals vroeger Het Boekhuis en boekwinkel Alberts in Sittard), waar je in virtuele boekwinkels niet om hoeft te komen.

Het voelde als een bijzondere opdracht als ik er de ingebonden jaargangen mocht ophalen, met de ronde ruggen en de zeer glad en strak afgesneden pagina’s. Je voelde dat de losse tijdschriften een metamorfose hadden ondergaan; ze waren getransformeerd naar een zekere eeuwigheidswaarde. Het was net of ze tijdens hun korte verblijf in de boekbinderij een wijding hadden ontvangen die hen tot hogere orde had bevorderd.

* En ja, die foto blijkt er te zijn. Op de onvolprezen en zeer toegankelijke site van het Euregionaal Historisch Centrum Sittard-Geleen is deze foto uit 1949 te vinden, die precies klopt met mijn herinnering.

Memorie 30: Voor als het licht uitvalt

In mijn vorige herinnering schreef ik dat Sittard zich snel uitbreidde. Dat merkten we ook toen op een avond het licht uitviel en niet meer terugkwam. In allerijl moesten we kaarsen en lucifers zoeken om in het donker de weg te kunnen vinden. Ik zat over een boek gebogen in verband met een proefwerk de volgende dag. Er waren meer klasgenoten die het onheil had getroffen, maar de leraar liet het koud, het proefwerk ging gewoon door.

We hoorden dat de elektriciteit het in bijna de hele stad had begeven. De elektriciteitscentrale bleek niet opgewassen tegen de sterk toenemende vraag. Met mijn vader ging ik op straat poolshoogte nemen. Tot onze grote verrassing brandde er licht in een gereedschapswinkel aan de Voorstad. Daar had men nog een gaslamp, een heel ouderwetse vorm van verlichting. Vroeger was dat ook in ons huis het geval geweest, zoals was te zien aan de loze gasleidingen die naar de lichtpunten in de gang en de vestibule leidden.

Het licht zou in die tijd vaker uitvallen. Bij Kleikamp, een andere winkel in gereedschappen en dergelijke, vermoedde men dat misschien al. Kennelijk was er iemand het magazijn ingedoken, want in één van de etalages verscheen de middag na de stroomuitval een serie petroleumlampen, in die tijd al min of meer historisch, met een bordje: Voor als het licht uitvalt.

Memorie 29: Mijn eerste zelfbedieningswinkel

Albert Heijn, De Gruyter, Jamin, de Coöperatie en wat later ook De Spar, ze hadden allemaal een filiaal in Sittard in de jaren dat ik er naar school ging. We kwamen vaak bij de Coöperatie, omdat die winkel vlak achter ons huis lag (op de hoek van de Wilhelminastraat en de Kleine Steeg) en je er heel snel even een boodschap kon doen. De winkel zat in een pand dat er apart uitzag: aan beide zijden van het hoekpand een grote boogvormige etalage. De winkel was deel van een complex waarin ook een grote broodbakkerij was gevestigd. Op zaterdagmiddag mochten wij er door moeder gemaakte vlabodems brengen die werden gebakken als de ovens begonnen af te koelen.

Ik herinner me niet meer in welk jaar het was, maar op een gegeven moment kwam mijn vader thuis met de mededeling dat je bij Albert Heijn nu zelf je boodschappen kon verzamelen in een mandje. Tot op dat moment was de winkel van Albert Heijn volgestouwd geweest met grote kasten en stellingen; het was een vrij donkere ruimte, behalve vlak bij de etalages. Als klant kwam je niet verder dan de toonbank. De filiaalchef en zijn medewerksters namen daar je wensen op en wogen de boodschappen voor je af. Mijn moeder had een bestelboekje van Albert Heijn, waarin ze thuis de boodschappen noteerde. Wij gingen dan met het boekje naar de winkel. Als het om veel boodschappen ging, werd alles keurig thuisbezorgd, zonder dat je daarvoor extra moest betalen, meen ik me te herinneren.

Toen werd de winkel ineens omgebouwd tot de eerste zelfbedieningskruidenier van de stad. Er werd zelfs verteld dat het de eerste zelfbedieningswinkel in het land was, maar de Wikipedia vertelt dat de eerste AH-supermarkt in 1952 in Schiedam werd geopend; Sittard was vermoedelijk wel spoedig daarna aan de beurt. Ik ging er snel een kijkje nemen en ik herinner me nog heel goed dat ik het een ongezellige winkel vond, erg licht, zeker vergeleken met de oude winkel, en ook leeg, vooral in de hoogte. Er waren een paar lange, smalle gangen waar je het hele assortiment van AH zag uitgestald. We vroegen ons meteen af of zo’n winkel geen paradijs voor potentiële dieven was; camera’s waren er in die tijd nog niet, evenmin als poortjes en beveiligingsstrips. Ik heb nog steeds het idee dat winkeldiefstal vóór de komst van de zelfbedieningswinkels niet of nauwelijks bestond.

Het was in de tijd dat Sittard flink uitbreidde vanwege de komst van een Philipsfabriek waar roosters voor radiobuizen werden gewikkeld en meer nog vanwege de snelle uitbreiding van de Staatsmijnen. Er verschenen nieuwe wijken, onder andere in het stadsdeel dat Baandert heet. Een commissie verzon voor nieuwe straten nieuwe namen. Eén van de leraren Nederlands van het Bisschoppelijk College Sint Jozef maakte deel uit van het gezelschap. Het zal aan hem te danken zijn geweest dat een deel van de straten naar schrijvers werd genoemd. Mijn vader vertelde eens grinnikend dat hij in de rij bij de kassa van Albert Heijn achter een mevrouw stond die haar boodschappen graag thuisbezorgd wilde hebben. Gevraagd naar haar adres verzuchtte ze: ik weet de naam van de straat wel, maar ik kan hem niet uitspreken. Ha, zei mijn vader, dan denk ik dat het de Guillaume Franquinetstraat is. Jááá, zei ze, dat is ’m, fijn dat u me kunt helpen. Ik leerde ervan dat je moet oppassen bij het kiezen van straatnamen dat je het de bewoners niet al te lastig maakt.

Ook De Gruyter had een mooie winkel in de stad, vlak bij de Markt. In tegenstelling tot de oude Albert Heijn was het een ruime en lichte winkel. Ook hier uiteraard toonbanken, met langs een lange wand een hele collectie trommels en bakken met allerlei soorten koffie, waar De Gruyter bekend om was. Daarboven een prachtig tegeltableau van enkele vierkante meters waarop je mensen in een tropisch landschap bezig zag koffiebonen te plukken. Ik vond het fascinerend en keek er graag naar. Het zal vast ook een zelfbedieningszaak zijn geworden, maar daar is niets van op mijn netvlies blijven hangen.

Schuin tegenover De Gruyter was Jamin te vinden. Een winkel die vol stond met heel veel glazen flessen en potten met chocolaatjes en ander lekkers. Er was marmer, chroom en er waren spiegels, waardoor ook deze winkel een lichte indruk maakte. Wij gingen er vooral naar toe om suiker te kopen, want die verkocht Jamin goedkoper dan de andere kruideniers. En voor de zaterdag en zondag mochten we een zakje chocolade hulstblaadjes meebrengen, een tractatie waar ik ook nu heimwee naar kan hebben. Ik voel de gekartelde opstaande randjes van de blaadjes nog mijn verhemelte prikkelen.

Memorie 28: Verkeerd verbonden

Magnoliaboom

Mijn Groningse grootvader was wel bij velen populair, maar hij was ook eigenwijs en kon ronduit onaardig uit de hoek komen. Ik herinner me dat als ik bij opa en oma logeerde, opa zich aan allerlei dingen kon ergeren. Hij vond het vervelend onder het eten te worden gestoord. Belde er tijdens de lunch iemand aan die iets met hem wilde bespreken, dan liet opa Antje, de dienstbode, de boodschap overbrengen: maakt u maar even een wandelingetje; het Sterrenbos aan de overkant is erg mooi.
Ook de telefoon irriteerde hem tijdens het eten, maar hij nam wel op. Soms had iemand zich in het nummer vergist; als hij zei: neemt u me niet kwalijk, ik ben verkeerd verbonden, dan kreeg hij als antwoord: néé, u bent niet verkeerd verbónden, u hebt verkeerd gedrááid!
Ik vond hem op zulke momenten niet aardig. Maar het bontst maakte hij het toen hij een keer bij ons in Sittard logeerde. Het was een prachtige zomerdag en opa zat met mijn vader en mij op het grasveld onder de bloeiende magnoliaboom. Het hek dat de tuin van de straat scheidde, draaide piepend open. Er kwam een oudere mijnheer met de fiets aan de hand het grintpad op. Wij kenden hem; het was een weduwnaar wiens vrouw op de hervormde begraafplaats op korte afstand van ons huis was begraven. Hij bezocht regelmatig het graf en kwam dan de sleutel van de begraafplaats lenen die bij ons in de brievenbus lag. Hij groette ons en mijn vader stelde hem aan opa voor. ‘Bent u dominee Coolsma uit Groningen?’, vroeg hij blij verrast. Weer een van die mensen die over opa hadden gehoord en ervan overtuigd waren dat hij hun respect verdiende. Na een gesprekje trok de bezoeker een sigarenkoker en bood opa een sigaar aan. ‘Nee, dank u’, zei opa wat bits, ‘ik rook niet.’ En hij liet er meteen op volgen: ‘En u zou er ook beter aan doen niet te roken. Het is erg ongezond’. De bezoeker keek beteuterd, alsof hij een standje had gekregen, en zei: ‘Ach, u moet maar denken: het is zo ongeveer het enige pleziertje in mijn leven sedert mijn vrouw er niet meer is’. Ik herinner me niet meer woordelijk wat mijn grootvader antwoordde, maar van enige compassie was geen sprake, eerder van nóg een standje. Ik voelde dat ik het heel onredelijk van hem vond. Stukje bij beetje viel opa van zijn voetstuk.

Memorie 27: Lifters-WW

Liften anno 2012

In mijn studententijd liftte ik veel. Met wisselend succes en plezier. Ik herinner mij de vele momenten van twijfel: gaat er nog iemand voor me stoppen? Op een late vrijdagavond stond ik langs een stoeprand vlakbij het station in Weert. Er kwam geen auto meer langs, ik hoorde een trein aankomen uit de richting Eindhoven; het kon de laatste zijn in de richting Sittard. Ik holde naar het loket, vroeg wat een enkeltje kostte en hield nog precies een stuiver over.
Gelukkig kwam er bijna altijd toch nog wel een automobilist die me uit medelijden meenam. Aanvankelijk was mijn enige attribuut mijn rechterduim. Maar nadat een paar keer een automobilist voor me was gestopt die een heel andere kant op moest en het niet zo leuk vond dat hij voor niets was gestopt, maakte ik van een reep karton een ‘wegwijzer’, waar op de ene kant Sittard stond, op de andere kant Amsterdam, en een tweede met Eindhoven en Den Haag. De meeste automobilisten waardeerden het wel; ik kwam er maar één tegen die zei: “Het komt een beetje ondankbaar op me over, zo van: als je me niet tot Amsterdam meeneemt, hoeft het niet”.
Eén keer was een automobilist door twee lifters op zijn achterbank beroofd, nadat hij ze had verteld dat hij met veel geld onderweg was naar de bank. De week daarna merkte je dat automobilisten minder snel voor een lifter stopten. Ik was me er eigenlijk altijd wel van bewust dat als ik een beetje een aardige passagier was, dat ook andere lifters ten goede kon komen. Eén keer werd het me in de schoot geworpen. Op een maandagochtend stond ik met mijn bordje Amsterdam langs de rijksweg in Sittard. Er kwam een kever aan met een snelheid die duidelijk maakte dat de chauffeur niet voor me ging stoppen. Maar toen hij mijn bordje zag, bedacht hij zich, schoot naar de kant van de weg en bood me een lift rechtstreeks naar Amsterdam aan. “Als u dat bordje niet had gehad, was ik niet gestopt”, zei hij, “handig!”
We raakten aan de praat, hij vroeg wat ik studeerde en wat ik vóór mijn studie al had gedaan. Ik vertelde dat ik bij de uitgeverij Focus had gewerkt, gespecialiseerd in fotografie en film. “Jammer dat ik u dan niet eerder heb ontmoet”, zei mijn gastheer. Hij bleek medisch specialist te zijn in een ziekenhuis in Heerlen en bezig met een proefschrift over de aanpak van een bepaalde aandoening. Daarbij speelde infraroodfotografie een rol en Focus had daarover ooit een boek uitgegeven, dat helaas was uitverkocht en niet zou worden herdrukt. Ik beloofde dat ik bij de verkoopchef zou informeren of er niet ergens nog een exemplaar was te vinden.
Ter hoogte van Den Bosch bleek er iets niet in orde met de remmen van de Volkswagen. We stopten en riepen de Wegenwacht te hulp. Ik had een kleine camera bij me – in die tijd niet zó gebruikelijk als tegenwoordig – en maakte foto’s van de sleutelende wegenwacht en de dokter.
Bij Amsterdam namen we hartelijk afscheid. Ik belde Focus en ontwikkelde mijn foto’s, om afdrukken naar de dokter en de wegenwacht te sturen. Van beiden kreeg ik na enige tijd een briefje. De dokter bedankte me voor de foto’s en vooral voor de bemiddeling die ertoe had geleid dat hij alsnog een exemplaar van het infraroodboek had gekregen. “Sedert onze ontmoeting neem ik elke lifter mee die ik tegenkom”, besloot hij. Ik denk dat het de mooiste herinnering is uit mijn lifters-wel-en-wee.

Memorie 26: Van de regen in de drup

Een model van een DAF-truck van Van Gend en Loos met de NS-laadkist.
Een model van een DAF-truck van Van Gend en Loos met de NS-laadkist. Foto: Peter de Wit (FaceMePLS).

Mijn grootvader van vaders kant was predikant in Groningen. Hij was gevierd als voorganger in de Kinderkerk, die hij organiseerde in de Der Aa kerk* op de Vismarkt. Niet alleen kinderen kwamen er graag, ook veel volwassenen gingen liever daar ter kerke dan in een volwassenendienst. Verder werd mijn grootvader zeer bekend als gevangenispredikant en later als geestelijk verzorger van mensen die na de Tweede Wereldoorlog een tijd moesten ‘zitten’ omdat ze in de oorlog fout waren geweest.
Zijn populariteit maakte dat hij eraan gewend was geraakt dat mensen het hem graag naar de zin maakten, waardoor hij ook veel zijn zin kréég. En soms had ik de indruk dat hij het mensen kwalijk nam als ze niet bij voorbaat deden wat hij graag wilde.
In zijn reactie op mijn vorige Memorie bracht Bert Ernste Van Gend en Loos ter sprake. Mijn grootvader woonde in Groningen in een mooi huis aan de Sterrenbosstraat, vlakbij het bos met die naam. Aan de overkant van de straat was een groot open terrein dat ervoor zorgde dat er vrij veel daglicht binnenkwam in de woonkamer en in de daarboven gelegen studeerkamer van mijn grootvader. Maar opa ergerde zich aan het feit dat het terrein in gebruik was als parkeerplaats voor de vrachtauto’s van Van Gend en Loos. In de loop van de ochtend vertrokken die auto’s één voor één en dan lag het terrein er vrij verlaten bij. Maar in de loop van de middag keerden ze terug en ‘s avonds en in het weekend keken opa en oma tegen de achterkanten van de roerloze vrachtauto’s aan. Mijn grootvader beklaagde zich erover bij Van Gend en Loos of misschien bij de gemeente. Van Gend en Loos bleek bereid er iets aan te doen. Het hele terrein werd aan het zicht onttrokken door een schutting met de hoogte van een grote vrachtauto.
Vanaf dat moment leerden mijn grootouders dat je misschien nog beter tegen een vrijwel leeg parkeerterrein of enkele uren tegen de achterkanten van de vrachtauto’s aan kon kijken dan vierentwintig uur tegen een onbeweeglijke en zeer monotone schutting. Ze waren zo gezegd van de regen in de drup terechtgekomen, als het al niet andersom was: van de drup in de regen.
Ik vond het als jonge knaap wel interessant, die vrachtauto’s, vooral de speciale DAF-trucks met een oplegger waarop de eerste containers met de puur Nederlandse naam laadkist werden vervoerd. Pas recent las ik dat dat een vinding was van de NS, die pas later ook in het buitenland furore maakte. Het waren, vergeleken met de huidige containers tamelijk sierlijke, aluminiumkleurige kisten, waarmee bedrijven en particulieren ladingen van deur tot deur konden laten vervoeren. De vrachtauto’s waren erop ingericht de laadkist van de straat omhoog te trekken, vervolgens op speciale spoorwagons te zetten en op de plaats van bestemming van de trein naar het eindadres te brengen. Zo jong als ik was vond ik het een mooie vinding. Hierbij een foto die ik vond op internet.

*En nu nog een aardige anecdote waarop ik stuitte toen ik de naam van de Der Aa kerk op internet controleerde. De kerk beschikt over een orgel van de Duitse orgelbouwers Arp Schnitger. Mariana (Minas Gerais, Brazilië), waar ik nu woon, is heel trots op het orgel in de plaatselijke kathedraal (de Sé), het enige Arp Schnitger orgel buiten Europa. Op vrijdagen en zondagen worden er orgelconcerten op gegeven. Zie Órgão da Sé.

Memorie 25: Melkmaat

Zijn naam ben ik helaas vergeten, terwijl ik hem toch vele malen moet hebben gebruikt. Maar hemzelf ben ik niet vergeten: de melkboer die zes dagen per week bij ons langs kwam in Sittard. Hij zelf was een kleine, tengere man met in mijn herinnering altijd een pet op zijn hoofd. ‘s Winters staken zijn vingers uit gebreide wollen handschoenen zonder vingers. Zijn melkbussen stonden op een houten kar die door een eveneens klein en tenger paardje werd getrokken. In de winter stond er een laag van vochtige lucht om het paardenlijf.
Hij stopte zijn wagentje aan de Wilhelminastraat, die links langs ons huis liep. Als het erg koud was, kwam hij naar de deur van de bijkeuken; was het minder koud dan liepen wij hem tegemoet, met een melkkoker en, indien nodig, ook met een grote pan.
In zijn melkbussen had hij, als ik het me goed herinner: melk, taptemelk en karnemelk. Taptemelk, ja, wat was dat ook alweer? Wikipedia antwoordt dat het de huidige magere melk is. Ik geloof dat we het een beetje als tweederangs melk beschouwden.
Onze melkman had een echte melkmaat, een metalen kannetje met een inhoud van één liter. In mijn herinnering had het een aluminiumkleur en een koper- of messingkleurige rand. Er zal vast een merkteken op hebben gezeten, als bewijs dat de maat geijkt was.
Toen de oorlog een tijdje voorbij was, bleek er ineens yoghurt te bestaan. Die leverde onze melkboer ook uit een melkbus. Ik was meteen gek op yoghurt en dat is nooit meer veranderd; waar ik ook kom, wil ik graag de yoghurt proberen.
Naderhand kwam de melk in flessen, die we de volgende dag weer netjes inleverden.
Toen ik met mijn jonge gezinnetje in Den Haag woonde (omstreeks 1960-1962) kwam ook daar een melkboer vijf of zes dagen in de week aan de deur. Vrijwel alle melkproducten zaten toen al in flessen. En de Haagse melkboer had paard en wagen geruild voor een Volkswagenbusje. Maar voor mijn gevoel hoorde hij toch nog in de categorie van onze Sittardse ‘melkmaat’.

De foto van een melkman die in 1944 in Den Haag taptemelk verkocht, vond ik op de site: http://www.fotoleren.nl/ Het is een foto van Menno Huizinga.

Memorie 24: Eenmalige ontmoetingen

Een in Nederland wonende Amerikaan, die een deel van zijn leven in New York City had gewoond, vertelde me eens het een en ander over die stad. Hij had er geen heimwee naar, maar hij had er wel bepaalde goede herinneringen aan. Eén van de fijne dingen van New York, vertelde hij, is dat je er anoniem kunt zijn en blijven. In de tijd dat hij er had gewoond, was hij meermalen in een willekeurige kroeg met een andere gast aan de praat geraakt, met iemand die hij helemaal niet kende en met wie hij toch intieme zaken uit hun beider levens had uitgewisseld. Hier zou je dat niet doen, zei hij, want de kans is niet uitgesloten dat je elkaar nóg eens tegenkomt of dat de ander iemand ontmoet die jou ook blijkt te kennen. Maar in New York, daar was hij heilig van overtuigd, zou je elkaar nooit opnieuw ontmoeten als je daar niet nadrukkelijk op uit was. Je kon je ziel en zaligheid geheel op tafel leggen zonder er bang voor te hoeven zijn dat de ander er kwaad mee kon.
Ik moest daaraan denken toen ik door iets anders werd herinnerd aan een periode in mijn leven waarin ik veel liftte. Ik studeerde in Amsterdam en ging in het weekend vaak naar mijn ouders in Sittard of naar een vriendin in Eindhoven. Ik ontmoette veel verschillende mensen die mij een lift gaven omdat ze liever niet alleen in de auto zaten, of omdat ze dachten: help die arme sloeber maar een eindje op weg, of omdat ze zin hadden in een praatje.
Eén van de automobilisten die me de zitplaats naast zich aanbood, vertelde over zijn werk. Hij was vertegenwoordiger in schoenen en reed als zodanig het hele land door. Een probleem in zijn werk was dat hij vaak uitnodigingen kreeg om namens zijn firma acte de présence te geven bij de opening van een nieuwe of gemoderniseerde schoenwinkel. Daar werd steevast gedronken en natuurlijk ook of vooral alcohol. Hij wilde niet uit de toon vallen en dronk een biertje, een glas wijn of een borrel mee, en het bleef niet altijd bij één glas. Een paar maal was hij daarna in de val van een alcoholcontrole getrapt en hij was ook een paar maal veroordeeld. De laatste keer, vertelde hij mij, moest hij twee weken ‘zitten’. Nu is twee weken niet zó lang, vond hij, maar twee weken doelloos doorbrengen in de gevangenis had hij als zo nutteloos en zo vernederend ervaren dat hij zich had voorgenomen alleen nog maar jus d’orange te drinken als hij nog moest rijden. Hij vertelde het me op zo’n dringende manier dat ik de indruk kreeg dat hij mij, zo jong als ik nog was, wilde waarschuwen het nooit zover te laten komen. En ik kon me ook niet helemaal aan de indruk onttrekken dat hij het af en toe even van zich af wilde praten, en dan is het fijn als er iemand naar je luistert die je niet nóg eens zult tegenkomen. Ik ben die ontmoeting nooit vergeten, omdat ik me kon voorstellen dat in zijn situatie het niet gemakkelijk is de alcohol te laten staan als iedereen om je heen tegen je zegt: ach joh, één glaasje maar. In de tweede plaats omdat hij zich bij mij kennelijk genoeg op zijn gemak voelde om zijn verhaal te vertellen. En in de derde plaats omdat het voor mij een vroeg voorbeeld was van het voordeel van de anonimiteit waar mijn Amerikaanse vriend me veel later over sprak. Ik merkte toen ik uit zijn auto stapte, dat het nadrukkelijk een band had geschapen, in anonimiteit notabene.

Memorie 23: Protestant en domineeszoon in Limburg in de periode 1942-1955

De toren van de Hervormde Kerk in Sittard

Toen mijn vader eind 1942 zijn intree deed in de hervormde gemeente van Sittard was ik ruim zes jaar oud en in Enschede, waar we vandaan kwamen, was ik ruim een maand eerder voor het eerst naar school gegaan. Een dag of wat na onze aankomst in Sittard ging ik naar de protestantse Gustav Hoefferschool, die vlak naast ons huis stond. Ik herinner mij nu dat al snel duidelijk werd dat de kinderen van de dominee op een speciale manier werden bekeken, net als de kinderen van de onderwijzers. Het was duidelijk dat mijn vader als predikant een bijzondere positie innam en iets daarvan straalde op zijn kinderen af.

Een voor mij belangrijk en moeilijk aspect was dat mijn ouders en vooral mijn vader het gevoel leek te hebben dat hij en zijn gezin zich voorbeeldig behoorden te gedragen. Ik denk dat hij sterk het gevoel had dat er in Limburg meer op ons en ons gedrag werd gelet dan in een omgeving waar protestanten minder opvielen. Het werd in de loop der jaren wel minder, vooral voor mijn jongere broers en zussen, maar zelf heb ik de daaruit voortvloeiende druk nog heel lang gevoeld, tot ik al een tijd niet meer in Limburg woonde en zelfstandig was geworden.
Wij waren met acht kinderen en ik was de op één na oudste. Doordat ik wat gezeglijker was dan mijn oudere zus, denk ik dat mijn vader van mij nog sterker verwachtte dat ik me zou gedragen zoals hij het graag zag. Dat uitte zich in tal van dingen.
Kerkgang was in ons gezin niet bijster populair. Wij kenden de stem van onze vader al te goed om er tijdens de kerkdienst erg geboeid naar te luisteren. Daar kwam bij dat mijn vader geen groot kanselredenaar was; zijn sterke kanten lagen meer op het sociale, communicatieve en organisatorische vlak. Toen het gros van mijn broers en zussen de leeftijd had om naar de kerk te gaan, was een stelregel dat er ten minste twee of drie van de acht ter kerke hoorden te gaan. Steevast wierp mijn oudere zus zich op om ‘op de kleintjes te passen’, zoals onze jongste zussen werden aangeduid. Meestal viel mijn vaders keus als eerste op mij als hij degenen aanwees die met hem naar de kerk zouden gaan. Ik nam dan als eerste een rijtje munten van de eetkamertafel, uitgestald om mee te nemen als bijdrage voor de drie collectegangen. Met ons tweeën of drieën bevolkten we de eerste bank aan de rechterzijde, die was gereserveerd voor het domineesgezin en waar anderen ons gezelschap hielden als de kerk eens stampvol liep. Het was natuurlijk een vorm van respect die mooie bank voor het domineesgezin te bestemmen, maar ik had er vaak iets voor over gehad als ik gewoon had kunnen aanschuiven in één van de banken achterin de kerk.

Niet alleen wat de kerkgang betreft werden aan ons als domineeskinderen bijzondere eisen gesteld. Toen in Heerlen een protestantse middelbare school werd opgericht, verwachtte de eerste directeur dat minstens één van de Sittardse domineeskinderen daar school zou gaan. Niet alleen ik zelf had er weinig oren naar, ook mijn ouders werden er liever niet toe verplicht omdat het dagelijks met de bus naar Heerlen op en neer gaan een extra aanslag op het kleine traktement zou betekenen. En mijn eerste oude fiets zou ik pas een jaar vóór mijn eindexamen krijgen.
Een soortgelijke situatie deed zich voor toen een van de leden van de hervormde gemeente een protestantse korfbalclub oprichtte en verwachtte dat ik daar wel zou komen meespelen. Maar in ons gezin werd helemaal niets aan sport gedaan en mijn belangstelling ging in heel andere richtingen. Later gebeurde het nog een keer toen een ander gemeentelid een protestantse tennisclub oprichtte en mij probeerde te dwingen daarin mee te doen.

Als ik er nu op terugkijk zie ik die jaren als opgroeiende protestantse domineeszoon als een periode waarin ik erg veel moest, waarin ik aan veel verwachtingen moest voldoen en waarin ik me nogal eens schuldig heb gevoeld als ik me van die druk bevrijd wilde voelen. Een kortdurend maar ernstig conflict kreeg ik met mijn vader toen ik met een aantal leeftijdgenoten belijdenis zou doen. Ik dacht daar veel over na en niet zo lang voordat we zouden worden ‘aangenomen’ twijfelde ik er ernstig aan of mijn geloof eigenlijk wel sterk en doordacht genoeg was om deze grote stap te zetten. Ik zie nog de vertwijfelde blik en het verwijt in de ogen van mijn vader toen ik hem dat in zijn studeerkamer vertelde. Het was überhaupt al niet zo gebruikelijk dat iemand zich op het laatste moment terugtrok, maar mijn vader zag het als een persoonlijke afgang als hij zijn kerkenraad en zijn gemeente moest vertellen dat zijn eigen zoon door twijfel overmand was geraakt. Mijn vader probeerde mij ervan te overtuigen dat zulke twijfel wel vaker voorkwam, maar altijd onterecht bleek, of zoiets. Ik besloot mijn gevoelens maar niet verder uit te spreken en gehoorzaam belijdenis te doen.

Het was natuurlijk lang niet allemaal kommer en kwel, maar ik herinner me toch heel goed dat wij als protestantse en misschien nog wel meer als domineeskinderen min of meer op een eilandje leefden. Als ik probeer me mijn protestantse vrienden te herinneren, dan denk ik dat zij zich er ook goed van bewust waren dat ze tot een speciale groep behoorden; maar of dat voor hen ook weleens ietwat traumatische trekjes had, kan ik niet zeggen. Toen ik naar het gymnasium op het bisschoppelijk college ging, verkeerde ik daar in de omgeving van bijna uitsluitend rooms-katholieke klas- en schoolgenoten. Ik voelde mij daar, zeker in de laatste jaren, goed thuis en ik had er verschillende zeer goede vrienden, terwijl ook de relaties met veel leraren uitstekend waren. De verschillen in onze kerkelijke achtergrond speelden soms wel een rol, maar vaak pakte dat voor mij ‘voordelig’ uit. Ik hoefde niet naar het lof op dinsdagmiddag (als ik me dat goed herinner) en had dan dus eerder vrij. Als mijn klasgenoten in Spaubeek op retraite gingen, mocht ik die twee dagen thuis blijven. Hetzelfde gold voor een jaarlijke bedevaartstrip naar bijvoorbeeld Kevelaer.

Toch voelde ik ook in de loop van die jaren dat ik niet voor honderd procent bij mijn klasgenoten hoorde. Twee van mijn vrienden gingen op dansles en daar mocht ik niet mee naar toe. Er was een strikte scheiding: rooms-katholieke jongens en meisjes mochten alleen met elkaar dansen, niet met leeftijdgenoten van een andere religie. En dansles voor protestanten was er niet. Op zichzelf was dat niet zo erg, want dansen hoorde er in ons gezin niet bij. Misschien werd het niet meer als iets van de duivel gezien, maar we konden er toch beter wat uit de buurt blijven. Pas in latere jaren ging ik het als een gemis zien dat ik niet had leren dansen.
Die ontoegankelijkheid van de dansles maakte wel nog eens nadrukkelijk duidelijk dat in die tijd omgang tussen jongens en meisjes van verschillende religie niet op prijs werd gesteld, of het moest onder streng toezicht gebeuren. Zo organiseerden het bisschoppelijk college en het meisjeslyceum van de zusters Ursulinen een ‘Academie’, een debatingproject voor de leerlingen van de hogere klassen van beide scholen. Ik zie ons nog zitten, aan alle zijden omringd door (veelal priester)leraren die nauwlettend in de gaten hielden of de jongens en meisjes wel op gepaste afstand van elkaar bleven.
Voor mij was deze voelbare tweedeling tussen rooms-katholieken en protestanten in de omgang tussen jongens en meisjes echt een probleem. De meisjes die mij boeiden behoorden allemaal tot dat andere geloof en dat maakte hen voor mij in feite onbereikbaar. Mijn eerste liefde bleef onuitgesproken en ik miste daardoor een spontane kennismaking met de omgang tussen jongens en meisjes, waar sommige andersdenkende klasgenoten naar hartenlust mee experimenteerden.

Voor mijn ouders was het, vooral in de eerste jaren in Sittard, een aftasten van wat mogelijk en wenselijk was. Processies bekeken we wel, maar liefst vanaf een beschermde plek, zodat er niet te veel boze ogen op ons werden gericht als we niet knielden. De carnavalsoptocht bekeken we met grote belangstelling, maar zelf aan het carnavalsfeest deelnemen was pas jaren later voor mijn jongere broers en zussen weggelegd. Zelfs de kermis meden we aanvankelijk en later mochten we er een enkele keer schoorvoetend naar toe.
In de tijd van 1942 tot pakweg 1955 voelde je je min of meer veilig in de eigen kring, die van de hervormde gemeente en aanvankelijk van de protestantse lagere school. Maar als domineeszoon voelde ik me verplicht ook daar op mijn tellen te passen om niet het aanzien van mijn ouders te grabbel te gooien. Bovendien was ik bij mijn klasgenoten niet altijd populair doordat mijn vader mij en mijn zus op gezette tijden een stapel gestencilde kerkbodes meegaf. Het was de bedoeling dat klasgenoten die onderweg naar huis bij gemeenteleden in de bus zouden doen. Zag één van die klasgenoten me met een stapel papier aankomen, dan kreeg ik een vuile blik en een verwensing toegeworpen.
De plezierigste herinneringen heb ik misschien wel aan de ontmoetingen met protestanten buiten onze eigen gemeente: in het kader van de Jonge Kerk met leeftijdgenoten van elders in Midden- en Zuid-Limburg, en met jonge Duitse protestanten met wie we contact kregen via de weinige protestanten in de Selfkant, het stukje Duitsland dat een paar jaar bij Nederland hoorde, en via de contacten die mijn vader legde met zijn collega-Pfarrers over de grens. Op die momenten werd onze protestantse groep een stuk groter, het was alsof je protestant-zijn dan ineens een extra dimensie kreeg. We genoten steeds nog lang na van zulke ontmoetingen.

Van duidelijke spanningen tussen rooms-katholieken en protestanten herinner ik me weinig of niets. Aanvankelijk leefden beide geloofsgemeenschappen veelal langs elkaar heen, op de door mijn vader veelvuldig gezochte contacten met rooms-katholieke priesters en notabelen na. Het was mede aan de oecumenische en tolerante houding van mijn vader te danken dat protestanten op de duur meer en meer werden geaccepteerd. Ik herinner mij wel dat ik een keer een steen naar mijn hoofd geslingerd kreeg van een jongen die met een kameraad langs de pastorietuin liep en riep: vieze vuile protestanten! Maar zoiets was een uitzondering.

Een doorbraak kwam, zoals gezegd, toen ik al uit Sittard was vertrokken. Mijn broers en zussen die zich in het carnavalsgedruis stortten, gemengde huwelijkssluitingen – in mijn herinnering kwam het allemaal vrij plotseling op gang in de loop van de zestiger jaren. Toen ging het ook snel, dank zij bewegingen zoals Sjaloom in Odijk, waar ik sedert 1966 vlakbij woonde en mijn heil kon zoeken. Mijn vader had me erop geattendeerd en eenmaal bezochten we ook samen een zondagochtend-bijeenkomst van Sjaloom in het Bunnikse motel. Maar toen was ik dus al geruime tijd letterlijk en figuurlijk uit het overwegend rooms-katholieke Limburg van mijn jonge jaren vertrokken.