Tagarchief: liften

Memorie 27: Lifters-WW

Liften anno 2012

In mijn studententijd liftte ik veel. Met wisselend succes en plezier. Ik herinner mij de vele momenten van twijfel: gaat er nog iemand voor me stoppen? Op een late vrijdagavond stond ik langs een stoeprand vlakbij het station in Weert. Er kwam geen auto meer langs, ik hoorde een trein aankomen uit de richting Eindhoven; het kon de laatste zijn in de richting Sittard. Ik holde naar het loket, vroeg wat een enkeltje kostte en hield nog precies een stuiver over.
Gelukkig kwam er bijna altijd toch nog wel een automobilist die me uit medelijden meenam. Aanvankelijk was mijn enige attribuut mijn rechterduim. Maar nadat een paar keer een automobilist voor me was gestopt die een heel andere kant op moest en het niet zo leuk vond dat hij voor niets was gestopt, maakte ik van een reep karton een ‘wegwijzer’, waar op de ene kant Sittard stond, op de andere kant Amsterdam, en een tweede met Eindhoven en Den Haag. De meeste automobilisten waardeerden het wel; ik kwam er maar één tegen die zei: “Het komt een beetje ondankbaar op me over, zo van: als je me niet tot Amsterdam meeneemt, hoeft het niet”.
Eén keer was een automobilist door twee lifters op zijn achterbank beroofd, nadat hij ze had verteld dat hij met veel geld onderweg was naar de bank. De week daarna merkte je dat automobilisten minder snel voor een lifter stopten. Ik was me er eigenlijk altijd wel van bewust dat als ik een beetje een aardige passagier was, dat ook andere lifters ten goede kon komen. Eén keer werd het me in de schoot geworpen. Op een maandagochtend stond ik met mijn bordje Amsterdam langs de rijksweg in Sittard. Er kwam een kever aan met een snelheid die duidelijk maakte dat de chauffeur niet voor me ging stoppen. Maar toen hij mijn bordje zag, bedacht hij zich, schoot naar de kant van de weg en bood me een lift rechtstreeks naar Amsterdam aan. “Als u dat bordje niet had gehad, was ik niet gestopt”, zei hij, “handig!”
We raakten aan de praat, hij vroeg wat ik studeerde en wat ik vóór mijn studie al had gedaan. Ik vertelde dat ik bij de uitgeverij Focus had gewerkt, gespecialiseerd in fotografie en film. “Jammer dat ik u dan niet eerder heb ontmoet”, zei mijn gastheer. Hij bleek medisch specialist te zijn in een ziekenhuis in Heerlen en bezig met een proefschrift over de aanpak van een bepaalde aandoening. Daarbij speelde infraroodfotografie een rol en Focus had daarover ooit een boek uitgegeven, dat helaas was uitverkocht en niet zou worden herdrukt. Ik beloofde dat ik bij de verkoopchef zou informeren of er niet ergens nog een exemplaar was te vinden.
Ter hoogte van Den Bosch bleek er iets niet in orde met de remmen van de Volkswagen. We stopten en riepen de Wegenwacht te hulp. Ik had een kleine camera bij me – in die tijd niet zó gebruikelijk als tegenwoordig – en maakte foto’s van de sleutelende wegenwacht en de dokter.
Bij Amsterdam namen we hartelijk afscheid. Ik belde Focus en ontwikkelde mijn foto’s, om afdrukken naar de dokter en de wegenwacht te sturen. Van beiden kreeg ik na enige tijd een briefje. De dokter bedankte me voor de foto’s en vooral voor de bemiddeling die ertoe had geleid dat hij alsnog een exemplaar van het infraroodboek had gekregen. “Sedert onze ontmoeting neem ik elke lifter mee die ik tegenkom”, besloot hij. Ik denk dat het de mooiste herinnering is uit mijn lifters-wel-en-wee.

Memorie 24: Eenmalige ontmoetingen

Een in Nederland wonende Amerikaan, die een deel van zijn leven in New York City had gewoond, vertelde me eens het een en ander over die stad. Hij had er geen heimwee naar, maar hij had er wel bepaalde goede herinneringen aan. Eén van de fijne dingen van New York, vertelde hij, is dat je er anoniem kunt zijn en blijven. In de tijd dat hij er had gewoond, was hij meermalen in een willekeurige kroeg met een andere gast aan de praat geraakt, met iemand die hij helemaal niet kende en met wie hij toch intieme zaken uit hun beider levens had uitgewisseld. Hier zou je dat niet doen, zei hij, want de kans is niet uitgesloten dat je elkaar nóg eens tegenkomt of dat de ander iemand ontmoet die jou ook blijkt te kennen. Maar in New York, daar was hij heilig van overtuigd, zou je elkaar nooit opnieuw ontmoeten als je daar niet nadrukkelijk op uit was. Je kon je ziel en zaligheid geheel op tafel leggen zonder er bang voor te hoeven zijn dat de ander er kwaad mee kon.
Ik moest daaraan denken toen ik door iets anders werd herinnerd aan een periode in mijn leven waarin ik veel liftte. Ik studeerde in Amsterdam en ging in het weekend vaak naar mijn ouders in Sittard of naar een vriendin in Eindhoven. Ik ontmoette veel verschillende mensen die mij een lift gaven omdat ze liever niet alleen in de auto zaten, of omdat ze dachten: help die arme sloeber maar een eindje op weg, of omdat ze zin hadden in een praatje.
Eén van de automobilisten die me de zitplaats naast zich aanbood, vertelde over zijn werk. Hij was vertegenwoordiger in schoenen en reed als zodanig het hele land door. Een probleem in zijn werk was dat hij vaak uitnodigingen kreeg om namens zijn firma acte de présence te geven bij de opening van een nieuwe of gemoderniseerde schoenwinkel. Daar werd steevast gedronken en natuurlijk ook of vooral alcohol. Hij wilde niet uit de toon vallen en dronk een biertje, een glas wijn of een borrel mee, en het bleef niet altijd bij één glas. Een paar maal was hij daarna in de val van een alcoholcontrole getrapt en hij was ook een paar maal veroordeeld. De laatste keer, vertelde hij mij, moest hij twee weken ‘zitten’. Nu is twee weken niet zó lang, vond hij, maar twee weken doelloos doorbrengen in de gevangenis had hij als zo nutteloos en zo vernederend ervaren dat hij zich had voorgenomen alleen nog maar jus d’orange te drinken als hij nog moest rijden. Hij vertelde het me op zo’n dringende manier dat ik de indruk kreeg dat hij mij, zo jong als ik nog was, wilde waarschuwen het nooit zover te laten komen. En ik kon me ook niet helemaal aan de indruk onttrekken dat hij het af en toe even van zich af wilde praten, en dan is het fijn als er iemand naar je luistert die je niet nóg eens zult tegenkomen. Ik ben die ontmoeting nooit vergeten, omdat ik me kon voorstellen dat in zijn situatie het niet gemakkelijk is de alcohol te laten staan als iedereen om je heen tegen je zegt: ach joh, één glaasje maar. In de tweede plaats omdat hij zich bij mij kennelijk genoeg op zijn gemak voelde om zijn verhaal te vertellen. En in de derde plaats omdat het voor mij een vroeg voorbeeld was van het voordeel van de anonimiteit waar mijn Amerikaanse vriend me veel later over sprak. Ik merkte toen ik uit zijn auto stapte, dat het nadrukkelijk een band had geschapen, in anonimiteit notabene.