Tagarchief: protestant

Memorie 23: Protestant en domineeszoon in Limburg in de periode 1942-1955

De toren van de Hervormde Kerk in Sittard

Toen mijn vader eind 1942 zijn intree deed in de hervormde gemeente van Sittard was ik ruim zes jaar oud en in Enschede, waar we vandaan kwamen, was ik ruim een maand eerder voor het eerst naar school gegaan. Een dag of wat na onze aankomst in Sittard ging ik naar de protestantse Gustav Hoefferschool, die vlak naast ons huis stond. Ik herinner mij nu dat al snel duidelijk werd dat de kinderen van de dominee op een speciale manier werden bekeken, net als de kinderen van de onderwijzers. Het was duidelijk dat mijn vader als predikant een bijzondere positie innam en iets daarvan straalde op zijn kinderen af.

Een voor mij belangrijk en moeilijk aspect was dat mijn ouders en vooral mijn vader het gevoel leek te hebben dat hij en zijn gezin zich voorbeeldig behoorden te gedragen. Ik denk dat hij sterk het gevoel had dat er in Limburg meer op ons en ons gedrag werd gelet dan in een omgeving waar protestanten minder opvielen. Het werd in de loop der jaren wel minder, vooral voor mijn jongere broers en zussen, maar zelf heb ik de daaruit voortvloeiende druk nog heel lang gevoeld, tot ik al een tijd niet meer in Limburg woonde en zelfstandig was geworden.
Wij waren met acht kinderen en ik was de op één na oudste. Doordat ik wat gezeglijker was dan mijn oudere zus, denk ik dat mijn vader van mij nog sterker verwachtte dat ik me zou gedragen zoals hij het graag zag. Dat uitte zich in tal van dingen.
Kerkgang was in ons gezin niet bijster populair. Wij kenden de stem van onze vader al te goed om er tijdens de kerkdienst erg geboeid naar te luisteren. Daar kwam bij dat mijn vader geen groot kanselredenaar was; zijn sterke kanten lagen meer op het sociale, communicatieve en organisatorische vlak. Toen het gros van mijn broers en zussen de leeftijd had om naar de kerk te gaan, was een stelregel dat er ten minste twee of drie van de acht ter kerke hoorden te gaan. Steevast wierp mijn oudere zus zich op om ‘op de kleintjes te passen’, zoals onze jongste zussen werden aangeduid. Meestal viel mijn vaders keus als eerste op mij als hij degenen aanwees die met hem naar de kerk zouden gaan. Ik nam dan als eerste een rijtje munten van de eetkamertafel, uitgestald om mee te nemen als bijdrage voor de drie collectegangen. Met ons tweeën of drieën bevolkten we de eerste bank aan de rechterzijde, die was gereserveerd voor het domineesgezin en waar anderen ons gezelschap hielden als de kerk eens stampvol liep. Het was natuurlijk een vorm van respect die mooie bank voor het domineesgezin te bestemmen, maar ik had er vaak iets voor over gehad als ik gewoon had kunnen aanschuiven in één van de banken achterin de kerk.

Niet alleen wat de kerkgang betreft werden aan ons als domineeskinderen bijzondere eisen gesteld. Toen in Heerlen een protestantse middelbare school werd opgericht, verwachtte de eerste directeur dat minstens één van de Sittardse domineeskinderen daar school zou gaan. Niet alleen ik zelf had er weinig oren naar, ook mijn ouders werden er liever niet toe verplicht omdat het dagelijks met de bus naar Heerlen op en neer gaan een extra aanslag op het kleine traktement zou betekenen. En mijn eerste oude fiets zou ik pas een jaar vóór mijn eindexamen krijgen.
Een soortgelijke situatie deed zich voor toen een van de leden van de hervormde gemeente een protestantse korfbalclub oprichtte en verwachtte dat ik daar wel zou komen meespelen. Maar in ons gezin werd helemaal niets aan sport gedaan en mijn belangstelling ging in heel andere richtingen. Later gebeurde het nog een keer toen een ander gemeentelid een protestantse tennisclub oprichtte en mij probeerde te dwingen daarin mee te doen.

Als ik er nu op terugkijk zie ik die jaren als opgroeiende protestantse domineeszoon als een periode waarin ik erg veel moest, waarin ik aan veel verwachtingen moest voldoen en waarin ik me nogal eens schuldig heb gevoeld als ik me van die druk bevrijd wilde voelen. Een kortdurend maar ernstig conflict kreeg ik met mijn vader toen ik met een aantal leeftijdgenoten belijdenis zou doen. Ik dacht daar veel over na en niet zo lang voordat we zouden worden ‘aangenomen’ twijfelde ik er ernstig aan of mijn geloof eigenlijk wel sterk en doordacht genoeg was om deze grote stap te zetten. Ik zie nog de vertwijfelde blik en het verwijt in de ogen van mijn vader toen ik hem dat in zijn studeerkamer vertelde. Het was überhaupt al niet zo gebruikelijk dat iemand zich op het laatste moment terugtrok, maar mijn vader zag het als een persoonlijke afgang als hij zijn kerkenraad en zijn gemeente moest vertellen dat zijn eigen zoon door twijfel overmand was geraakt. Mijn vader probeerde mij ervan te overtuigen dat zulke twijfel wel vaker voorkwam, maar altijd onterecht bleek, of zoiets. Ik besloot mijn gevoelens maar niet verder uit te spreken en gehoorzaam belijdenis te doen.

Het was natuurlijk lang niet allemaal kommer en kwel, maar ik herinner me toch heel goed dat wij als protestantse en misschien nog wel meer als domineeskinderen min of meer op een eilandje leefden. Als ik probeer me mijn protestantse vrienden te herinneren, dan denk ik dat zij zich er ook goed van bewust waren dat ze tot een speciale groep behoorden; maar of dat voor hen ook weleens ietwat traumatische trekjes had, kan ik niet zeggen. Toen ik naar het gymnasium op het bisschoppelijk college ging, verkeerde ik daar in de omgeving van bijna uitsluitend rooms-katholieke klas- en schoolgenoten. Ik voelde mij daar, zeker in de laatste jaren, goed thuis en ik had er verschillende zeer goede vrienden, terwijl ook de relaties met veel leraren uitstekend waren. De verschillen in onze kerkelijke achtergrond speelden soms wel een rol, maar vaak pakte dat voor mij ‘voordelig’ uit. Ik hoefde niet naar het lof op dinsdagmiddag (als ik me dat goed herinner) en had dan dus eerder vrij. Als mijn klasgenoten in Spaubeek op retraite gingen, mocht ik die twee dagen thuis blijven. Hetzelfde gold voor een jaarlijke bedevaartstrip naar bijvoorbeeld Kevelaer.

Toch voelde ik ook in de loop van die jaren dat ik niet voor honderd procent bij mijn klasgenoten hoorde. Twee van mijn vrienden gingen op dansles en daar mocht ik niet mee naar toe. Er was een strikte scheiding: rooms-katholieke jongens en meisjes mochten alleen met elkaar dansen, niet met leeftijdgenoten van een andere religie. En dansles voor protestanten was er niet. Op zichzelf was dat niet zo erg, want dansen hoorde er in ons gezin niet bij. Misschien werd het niet meer als iets van de duivel gezien, maar we konden er toch beter wat uit de buurt blijven. Pas in latere jaren ging ik het als een gemis zien dat ik niet had leren dansen.
Die ontoegankelijkheid van de dansles maakte wel nog eens nadrukkelijk duidelijk dat in die tijd omgang tussen jongens en meisjes van verschillende religie niet op prijs werd gesteld, of het moest onder streng toezicht gebeuren. Zo organiseerden het bisschoppelijk college en het meisjeslyceum van de zusters Ursulinen een ‘Academie’, een debatingproject voor de leerlingen van de hogere klassen van beide scholen. Ik zie ons nog zitten, aan alle zijden omringd door (veelal priester)leraren die nauwlettend in de gaten hielden of de jongens en meisjes wel op gepaste afstand van elkaar bleven.
Voor mij was deze voelbare tweedeling tussen rooms-katholieken en protestanten in de omgang tussen jongens en meisjes echt een probleem. De meisjes die mij boeiden behoorden allemaal tot dat andere geloof en dat maakte hen voor mij in feite onbereikbaar. Mijn eerste liefde bleef onuitgesproken en ik miste daardoor een spontane kennismaking met de omgang tussen jongens en meisjes, waar sommige andersdenkende klasgenoten naar hartenlust mee experimenteerden.

Voor mijn ouders was het, vooral in de eerste jaren in Sittard, een aftasten van wat mogelijk en wenselijk was. Processies bekeken we wel, maar liefst vanaf een beschermde plek, zodat er niet te veel boze ogen op ons werden gericht als we niet knielden. De carnavalsoptocht bekeken we met grote belangstelling, maar zelf aan het carnavalsfeest deelnemen was pas jaren later voor mijn jongere broers en zussen weggelegd. Zelfs de kermis meden we aanvankelijk en later mochten we er een enkele keer schoorvoetend naar toe.
In de tijd van 1942 tot pakweg 1955 voelde je je min of meer veilig in de eigen kring, die van de hervormde gemeente en aanvankelijk van de protestantse lagere school. Maar als domineeszoon voelde ik me verplicht ook daar op mijn tellen te passen om niet het aanzien van mijn ouders te grabbel te gooien. Bovendien was ik bij mijn klasgenoten niet altijd populair doordat mijn vader mij en mijn zus op gezette tijden een stapel gestencilde kerkbodes meegaf. Het was de bedoeling dat klasgenoten die onderweg naar huis bij gemeenteleden in de bus zouden doen. Zag één van die klasgenoten me met een stapel papier aankomen, dan kreeg ik een vuile blik en een verwensing toegeworpen.
De plezierigste herinneringen heb ik misschien wel aan de ontmoetingen met protestanten buiten onze eigen gemeente: in het kader van de Jonge Kerk met leeftijdgenoten van elders in Midden- en Zuid-Limburg, en met jonge Duitse protestanten met wie we contact kregen via de weinige protestanten in de Selfkant, het stukje Duitsland dat een paar jaar bij Nederland hoorde, en via de contacten die mijn vader legde met zijn collega-Pfarrers over de grens. Op die momenten werd onze protestantse groep een stuk groter, het was alsof je protestant-zijn dan ineens een extra dimensie kreeg. We genoten steeds nog lang na van zulke ontmoetingen.

Van duidelijke spanningen tussen rooms-katholieken en protestanten herinner ik me weinig of niets. Aanvankelijk leefden beide geloofsgemeenschappen veelal langs elkaar heen, op de door mijn vader veelvuldig gezochte contacten met rooms-katholieke priesters en notabelen na. Het was mede aan de oecumenische en tolerante houding van mijn vader te danken dat protestanten op de duur meer en meer werden geaccepteerd. Ik herinner mij wel dat ik een keer een steen naar mijn hoofd geslingerd kreeg van een jongen die met een kameraad langs de pastorietuin liep en riep: vieze vuile protestanten! Maar zoiets was een uitzondering.

Een doorbraak kwam, zoals gezegd, toen ik al uit Sittard was vertrokken. Mijn broers en zussen die zich in het carnavalsgedruis stortten, gemengde huwelijkssluitingen – in mijn herinnering kwam het allemaal vrij plotseling op gang in de loop van de zestiger jaren. Toen ging het ook snel, dank zij bewegingen zoals Sjaloom in Odijk, waar ik sedert 1966 vlakbij woonde en mijn heil kon zoeken. Mijn vader had me erop geattendeerd en eenmaal bezochten we ook samen een zondagochtend-bijeenkomst van Sjaloom in het Bunnikse motel. Maar toen was ik dus al geruime tijd letterlijk en figuurlijk uit het overwegend rooms-katholieke Limburg van mijn jonge jaren vertrokken.