Tagarchief: telefoniste

Memorie 12 – Bellen met Suriname, via de telefoniste

Voor mijn kinderen en kleinkinderen is telefoneren de gewoonste zaak van de wereld; voor wie niet, tegenwoordig? Zonder mobieltje valt er niet meer te leven, zelfs niet hier in Brazilië. En hoewel ik er dus ook helemaal aan gewend ben, weet ik nog dat het ooit anders was. Zelfs toen ik al op het gymnasium zat, had lang niet iedereen een telefoon. Volgens mij moest je in die tijd (tweede helft van de veertiger jaren) een goede reden hebben om een aansluiting te kunnen aanvragen.
Een dierbare herinnering is dat ik ooit eens bij een oom en tante in het Groningse Noordbroek logeerde en dat ik een dag mee mocht met een herenboer. In zijn grote boerderij had hij ook telefoon, een groot bruin, grotendeels van hout gemaakt apparaat, met een zwengel en een telefoonhoorn aan een koord. Als de herenboer zijn buurman wilde bellen, moest dat via de telefoniste. Met een draai aan de zwengel riep hij de telefoniste – die op het post- en telefoonkantoor zetelde – op en vroeg hij verbinding. De telefoniste trok aan een koord en stak de plug in een gat op een schakelbord. Zo konden de buren met elkaar bellen. Dat was dus op het platteland. Bij ons in de stad ging het al ‘gewoon’, met een draaischijf en zonder tussenkomst van een telefoniste.
Die zelfde oom en tante gingen voor vijf jaar naar Suriname. Mijn grootvader van vaders kant ging hen daar opzoeken. Heen met de boot, terug met het vliegtuig. Al bij zijn vertrek was afgesproken dat we één keer tijdens de maanden durende reis telefonisch contact zouden hebben.
De techniek was inmiddels zo ver voortgeschreden dat binnen Nederland alle gesprekken zonder tussenkomst van een telefoniste tot stand kwamen. Maar een internationaal gesprek had nog steeds de tussenkomst van zo’n mevrouw nodig. Wat het kostte, weet ik niet meer, maar wel dat het een hoop geld was. Daarom werd alles goed voorbereid. Datum en uur werden vastgesteld en er belde een mevrouw van de PTT enige tijd van tevoren om alles goed door te nemen. Eén of twee dagen vóór het gesprek kwam er weer een telefoontje van een telefoniste die nog eens checkte (een woord dat we toen overigens nog helemaal niet kenden) of alles kon doorgaan zoals afgesproken.
Een uur tevoren ging opnieuw de telefoon en vertelde de telefoniste dat ze nu snel contact zou gaan maken. Mijn ouders regisseerden de voorbereidingen. We zetten vijf stoelen op een rijtje, op de eerste mijn vader, op de laatste een van mijn jongere broers, er tussenin mijn moeder, een oudere zus en ik zelf. De zenuwen gierden door de kamer. Toen de telefoon opnieuw rinkelde, klopten onze harten een stuk sneller. Mijn vader sprak met de telefoniste, die vertelde dat ze nu contact maakte met een collega ergens in het buitenland. Als ik het me goed herinner verliep zo’n gesprek via Zwitserland en wie weet, ook via de Verenigde Staten. Ineens was er verbinding, mijn vader begroette opa, wisselde een paar woorden, gaf de hoorn aan mijn moeder, vervolgens mijn zus, toen kon ik in de telefoon stamelen: alles goed met u, opa? Na het korte antwoord uit Paramaribo ging de hoorn naar mijn broer en ten slotte gebruikte mijn vader de resterende tijd om in hoog tempo wat nieuwtjes uit te wisselen.
Het was alsof er een wonder was geschied. Dat we zomaar met iemand in Suriname konden praten! Via een dikke kabel over de bodem van de Atlantische Oceaan. Het ging ons voorstellingsvermogen eigenlijk te boven.